Profiel


Ik conserveer en restaureer kunst en antiek gemaakt van o.a. glas, porselein en aardewerk. In 1992/93 ben ik als vrijwilligster bij de restauratieafdeling van het ROB (Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek) werkzaam geweest. Na een vierjarige opleiding bij het ICN (Instituut Collectie Nederland) in Amsterdam heb ik in 1997 het diploma keramiek- en glasrestauratie behaald. Tijdens deze opleiding heb ik stage gelopen bij het Rijksmuseum en bij een zelfstandig restaurator. Sinds 1997 werk ik als zelfstandig restaurator van keramiek en glas in Hilversum en ben aangesloten bij de vakvereniging RN (Restauratoren Nederland). Ingeschreven bij de Kamer van Koophandel Gooi- en Vechtstreek onder nummer 32.06.67.17

Aardewerk


Aardewerk Aardewerk is een verzamelnaam voor potten, schalen, drinkbekers en kruiken, bedoeld als vaatwerk en tegels, gebakken uit klei. Onder aardewerk in eenvoudige vorm worden voorwerpen verstaan, die gemaakt zijn van leem of klei, veelal gehaald langs rivieren. Deze worden na droging gebakken en daardoor hard. De grondstof zal dan niet meer door water worden verweekt en uiteenvallen. Door de hoge temperatuur bij het bakken zijn de kleideeltjes aan elkaar geklit of gesinterd. Goede klei voor deze producten is: kaolien (China-clay), een fijne witbakkende kleisoort. Bij gebruik van mindere soort klei kan men niet met hoge temperaturen bakken en blijft het werkstuk poreus. Deze moet dan met een glazuurlaag worden bedekt om waterdicht te worden. Voor glazuur, een glassoort, gebruikt men lood- of tinglazuur. Deze smelt bij niet te hoge temperatuur en vloeit over het oppervlak van het product. Deze glazuur kan transparant of dekkend van kleur zijn. Tevens worden glazuren gebruikt om het aardewerk van diverse kleuren te kunnen voorzien. Keramiek wordt pas steengoed genoemd als het op een temperatuur van meer dan 1200 graden Celsius is gebakken. Aardewerk is zachter en minder duurzaam dan porselein, maar het is veel gemakkelijker en goedkoper te maken. Vanwege de poreusheid van aardewerk dient het vrijwel altijd geglazuurd te worden. Aardewerk voor bouwkundige doeleinden wordt wel aangeduid met bouw- of woonkeramiek. • Verschillende vormen van aardewerk • pot, bedoeld als bewaarplaats voor losse goederen of vloeistof. • kookpot, gemaakt om voedsel in te bereiden. • kruik, met een nauwe, afsluitbare opening, bedoeld als bewaarplaats voor vloeistof. • kan, met een schenktuit, bedoeld om vloeistoffen in te bewaren en uit te schenken. • beker, gemaakt om uit te drinken. • schaal, gemaakt om iets op te presenteren. • kom, gemaakt om in de hand te houden en uit te eten of te drinken. • schotel, gemaakt als onderlegger. • römertopf, Romeinse stoofpot bestaande uit een poreuze, aardewerken schaal met deksel. • vaas, een object dat vloeistof bevat • tegels ter waterdichte bedekking van vloeren of wanden, bijvoorbeeld van keukens of badkamers Aardewerk en archeologie Aardewerk heeft gedurende vele duizenden jaren een belangrijke rol gespeeld in de menselijke geschiedenis. Omdat het materiaal slecht verweert zijn overblijfselen van aardewerken voorwerpen een belangrijke bron van informatie. De stijl en de technologie van het aardewerk veranderden in de loop der jaren, waardoor aardewerken scherven en voorwerpen ook goed gebruikt kunnen worden voor het dateren van een bepaalde vindplaats of laag. Er zijn dan ook allerlei culturen naar aardewerkvormen genoemd, zoals de klokbekercultuur en de urnenveldencultuur. Ook de afbeeldingen die op het aardewerk aangebracht werden geven soms inzicht in de cultuur, we kennen bijvoorbeeld de Suzannakruik die een bijbels verhaal vertelde, de baardmankruik en de uilenbeker in de vorm van een uil. Dit soort voorwerpen was gedurende een bepaalde tijd populair. Luxe aardewerken goederen vertellen een verhaal omtrent de welstand van de bezitter. Hiernaast is het van belang dat er bepaalde plaatsen waren waar aardewerk in grote hoeveelheden werd geproduceerd. Het van een dergelijke plaats afkomstig aardewerk had specifieke kenmerken. Dit alles geeft ons inzicht omtrent de toen gebruikte handelsroutes. Typen aardewerk • Andenne aardewerk • Badorf aardewerk • Belgische waar • Blauwgrijs aardewerk • Eierbecher • Elmpter aardewerk • Faience • Fries aardewerk • Grijs aardewerk • Handgevormd aardewerk • Harpstedt achtig aardewerk • Hessens-Schortens aardewerk • Hoogkarspel aardewerk • Inheems-Romeins aardewerk • Majolica • Nederrijns aardewerk • Paffrath aardewerk • Pingsdorf aardewerk • Vlaams aardewerk • Proto-Steengoed • Rood aardewerk • Ruwwandig aardewerk • Siegburg • Steengoed • Streepband aardewerk • Terra arretina • Terracotta • Terra nigra • Terra nigra achtig aardewerk • Terra rubra • Terra sigillata • Vroeg-gesmoord aardewerk • Werra aardewerk • Weser aardewerk • Jyde Zie ook • Carduus-aardewerk • Pottenbakken • Faience (aardewerk) • Plateel • Majolica • Grieks aardewerk • Terra sigillata • Porselein • Harlinger Aardewerk- en Tegelfabriek • Lange Lijs Taal In de taal wordt aardewerk ook gebruik als aanduiding voor "waardevol" en/of "duurzaam", zoals: • een aardewerken huwelijk, zie huwelijksverjaardag • een aardewerken jubileum, zie jubileum

Gips


Gips Mineraal Chemische formule CaSO4•2H2O Kleur Kleurloos, wit, lichtbruin, geel, roze Streepkleur Wit Hardheid 2 (per definitie) Gemiddelde dichtheid 2,3 kg/dm3 Glans Glasglans Opaciteit Doorzichtig tot doorschijnend Breuk Schelpvormig Splijting Zeer goed, is buigzaam Kristaloptiek Kristalstelsel Monoklien Brekingsindices Np 1,521, Nm 1,523, Ng 1,531 Dubbelbreking 0,010 Overige eigenschappen Veredeling Kleuren, impregneren Bijzondere kenmerken De fijnkorrelige variëteit heet albast, de vezelige variëteit die het kattenoogeffect vertoont seleniet. Gips (afgeleid van het Griekse γύ&#9 68;ος, "krijt" of "gips") is een mineraal dat grotendeels uit het zout calciumsulfaat (CaSO4) bestaat, een verbinding van het calcium en het sulfaat-ion. • Fysische eigenschappen en voorkomen In de natuur komt calciumsulfaat in kristallijne vorm als seleniet en als albast voor. Deze vormen hebben 2 moleculen kristalwater in het kristalroosterCaSO4•2H2O. Calciumsulfaat kan meerdere verschijningsvormen aannemen, ze hebben geen effect op het chemische gedrag van de stof. (CaSO4): • di-hydraat, CaSO4•2H2O, het uitgeharde gips, of de gipskristallen die in de natuur worden aangetroffen; • hemi-hydraat, 2 CaSO4• H2O of CaSO4• 1/2 H2O calciumsulfaathemihydraat of dicalciumsulfaatmonohydraat , een gipspoeder dat door toevoeging van water weer kristalwater opneemt en daardoor weer hard wordt en weer het di-hydraat vormt; • gamma anhydraat, CaSO4, de waterarme vorm. Wordt onder andere gebruikt voor droogmiddelen. • beta anhydraat, CaSO4, de watervrije vorm. Wordt onder andere in de bouw als vulstof gebruikt. Bij het verhitten van gips boven 150 °C dehydrateert het mineraal gedeeltelijk, een verlies van water uit zijn kristalrooster en wordt het hemi-hydraat gevormd: CaSO4•2 H2O → CaSO4• 1/2 H2O (s) + 1,5 H2O of 2 CaSO4•2 H2O → (CaSO4)2• H2O (s) + 3 H2O Wordt het hemi-hydraat verder verwarmd (180 °C), ontstaat calciumsulfaat met zeer weinig kristalwater we spreken dan van het gamma-anhydraat. Bij toevoegen van water gaat dit terug over naar het di-hydraat. Dit wordt onder meer gebruikt voor droogmiddelen. Wordt het hemi-hydraat verder verwarmd (250°C), ontstaat calciumsulfaat zonder kristalwater. We spreken dan van beta-anhydraat. Dit bezit een ander kristalrooster dan gammma-anhydraat en slorpt geen water op, zelfs niet over geologische tijdspanne. Gips is zacht. Op de hardheidsschaal van Mohs is het hardheid twee. Met een vingernagel kan men een kras maken in het gips, wat aangeeft dat gips zachter is dan nagel. Gips komt ook in de natuur voor en er kunnen dikke afzettingen in gesteentelagen aanwezig zijn. Doordat gips van nature erg zacht is zal het snel eroderen. Meestal als gips in de formatie van een berg aanwezig is, zullen de gipslagen zich onder gesteentelagen van minder erosiegevoelige gesteenten als zandsteen en kalksteen bevinden. Een voorbeeld van een berg die gedeeltelijk uit gips bestaat is de Dent du Villard. Doordat gips kristalwater bevat kan het worden gebruikt als brandvertrager. Mede hierdoor wordt gips veel toegepast in de bouw. Het wordt dus ingezet als een vlamvertrager, bijvoorbeeld in verf of plafondelementen. Het mechanisme van de vlamvertraging gaat als volgt. De energie van de brand wordt gebruikt om het kristalwater te verwijderen. Daarbij ontstaat eerst CaSO4•½H2O en bij voldoende hoge temperatuur tenslotte CaSO4. Gips zet bij verharding iets uit (0,5%). Productie Gips kan op diverse manieren verkregen worden. Hieronder staan de drie belangrijkste bronnen van gips: • Natuurgips wordt gedolven in sites uit de natuur, vooral in Frankrijk, in het bekken rond Parijs. De eerste gipslagen ontstonden zo'n 100 tot 200 miljoen jaar geleden door verdamping van het zeewater in de ondiepe wateren van de aarde. • Fosfo-gips ontstaat als restproduct bij de productie van fosfaten. Fosfaten worden toegepast in diverse producten : voedings- en metaalproducten, waterbehandeling- en zuivering, meststoffen, verven, papier ... Dit type gips wordt gekenmerkt door een hoge zuiverheidgraad en een helwitte kleur. • Sulfo-gips ontstaat bij de recyclage uit de met steenkool aangedreven elektriciteitscentrales. Dit is beter bekend als RO-gips (rookgasontzwaveling-gips). Simpel gezegd worden de rookgassen door een kalkemulsie gevoerd en dan geoxideerd, waardoor het zwavel uit de steenkool zich bindt aan de kalk. Door er nog eens flink zuurstof doorheen te blazen verandert het calciumsulfiet in sulfaat en hebben we gips met een hoge zuiverheidgraad. Gips in de geneeskunde Gips wordt, met verband verstevigd, gebruikt om gebroken of verstuikte lichaamsdelen te fixeren, het zogenaamde gipsverband of (Vlaams) plaaster. In 1851 beschreef de Nederlandse militaire arts Antonius Mathijsen voor het eerst het gipsverband. Gips wordt ook door (orthopedische) medici gebruikt als een osteoconductieve botvervanger. Botvervangers worden toegepast bij botbreuken die niet spontaan helen of wanneer er loze ruimtes binnen het bot opgevuld dienen te worden Gips wordt door cellulair weefsel herkend als een mineraal waardoor het oplost ofwel resorbeert. Door het productieproces van gips te controleren ontstaat er een uniforme kristalstructuur. Deze uniformiteit maakt het mogelijk om de resorptiesnelheid en de biologische response te voorspellen. De snelheid van resorptie is daardoor gelijk aan de aanmaak van botweefsel (6 tot 8 weken). Door de vorm en grootte van de kristallen, ontstaat er een netwerk waar nieuw gevormd botweefsel doorheen kan groeien. In het geval van een infectie is het mogelijk om gips te mengen met een antibioticum zoals Tobramycine. De afgifte van het antibioticum wordt gereguleerd waardoor een er constante afgifte van antibiotica plaats vindt tot week vijf. Het antibioticum wordt lokaal, op de plaats van het defect, afgegeven. Dit resulteert in therapeutische hoeveelheden antibiotica op de plaats van de ingreep en er worden hierdoor lage systemische hoeveelheden antibiotica gerealiseerd. Klinisch gebruik van gips als botvervanger voor tandheelkundige en orthopedische indicaties wordt al ruim een eeuw in de literatuur beschreven In 1925 omschreef Kofmann, in een overzicht van Bahn het succesvolle gebruik van gips bij het opvullen van loze ruimtes in het bot, waaronder één met een abces in de tibia 7 jaar na de operatie. Van 1925 tot 1945 beschreven Oehlecker, Nordmann, Edberg en Nielson vele successen van het gebruik van gips bij het opvullen van loze ruimtes in het bot waaronder resectie van maligne cysten en tumoren. Van 1957 tot 1978 gebruikte Peltier[1] gips als botvervanger voor onder meer traumatische defecten in de tibia, femur fracturen, bot cysten en tumoren. Uit diverse studies is gebleken dat gips een goed alternatief is voor autoloog botweefsel[2]. Ook is gebleken dat calciumsulfaat een uitstekend hulpmiddel is bij gewrichtsvervanging, doordat het als vulling gebruikt wordt voor loze ruimtes / botdefecten en als vervanging dient voor autografts en allografts[3]. De door de jaren heen verrichtte onderzoeken hebben ertoe geleid dat gips tegenwoordig als hoofdbestanddeel wordt gebruikt bij botvervangers. Gips in de bouw In de bouw wordt gips als pleister en gipsplaten gebruikt. Reeds in de oudheid werd gips als bouwmateriaal gebruikt, bijvoorbeeld bij de bouw van de piramiden van Gizeh, of de Alabastermoskee in Caïro. De Grieken gebruiken het materiaal voor versieringen aan huizen. Gips wordt soms aan cement toegevoegd om de reactie te vertragen. Deze mengeling is echter ten zeerst af te raden omwille van het risico op vorming van agressieve zouten zoals ettringiet. Andere toepassingen • Afgietsels van beelden worden ook van gips gemaakt. Vandaar dat zo'n beeld ook een gips wordt genoemd • Ook wordt gips wel in de beeldhouwkunst gebruikt om eenmalige mallen te maken voor afgietsels in diverse materialen • Gips, vermengd met vuurvaste materialen als chamotte, wordt ook gebruikt om vuurvaste gietvormen van te maken bij het bronsgieten in de Cire perdue methode. • Slibgieten: bij het werken met gietklei, zoals in de keramische industrie bij het maken van bijvoorbeeld toiletpotten, worden gipsen gietkappen gebruikt als matrijs en om water aan de gietklei te onttrekken • Schoolbordkrijt • Vulstof in verf en in tandpasta • Calciumsulfaat is ook toegelaten als Voedingsadditief voor voedingsmiddelen. Het E-nummer van calciumsulfaat is E516 • Grondverbeteraar • CaSO4 wordt in zijn watervrije toestand soms gebruikt in vuurwerk als hoge-temperatuur-oxidator zoals in rode sterren of sommige flashcomposities. • Archeologisch conservatie- en restauratiewerk

Marmer


Marmer Marmer is gemetamorfeerd kalksteen, bestaande uit zeer puur calciumcarbonaat. De verschillende marmersoorten hebben dichtheden die tussen de 2.5 en 2.8 liggen. Vanwege zijn prachtige, bijna transparante lichtval, vastheid, relatieve isotropie en homogeniteit is marmer zeer gewild als bouwmateriaal en in de beeldhouwkunst, ondanks dat het een vrij harde steen is om handmatig te bewerken. De temperaturen en drukken die nodig zijn om kalksteen om te vormen in marmer zijn dermate hoog dat eventueel in de kalksteen aanwezige fossielen vernietigd worden. Soorten marmer (genoemd naar plaats waar het gewonnen wordt): • Carrara (Italië); erg geschikt voor beeldhouwkunst • Pentelikon (Griekenland) • Paros (Grieks eiland) • Proconnesus (Turkije) • Belgische marmer In de bouwwereld wordt de term marmer ook wel gebruikt voor andere bruikbare kalkachtige en niet-kalkachtige steensoorten. Het woord "marmer" komt van het Griekse woord "marmaros" ("μ&#945 ; ρμ&#9 45;ρο& ; ;#962;") dat "glanzende steen" betekent. In de folklore wordt marmer geassocieerd met het dierenriemteken Tweelingen. Egaal wit marmer geldt als een teken van puurheid en onsterfelijkheid en van succes met studie. Marmer is een kostbare bouwsteen. Daarom wordt wel eens een namaakmarmerpatroon aangebracht op hout, dit wordt marmeren genoemd.

Ivoor


Ivoor Ivoor (soms ook: elpenbeen of elp) is het harde, witgekleurde materiaal afkomstig van de slagtanden van landdieren zoals de olifant, nijlpaard of mammoet, of zeedieren zoals de walrus of narwal. Deze tanden kunnen tot drie meter lang worden en wel 100 kilogram wegen. Ook zou de mythologische eenhoorn een ivoren hoorn dragen. Het meeste ivoor is afkomstig uit de binnenlanden van Afrika. Al in de oudste beschavingen werd ivoor gebruikt voor de vervaardiging van beeldjes of om erop te tekenen; de bloeitijd van de beeldhouwkunst in ivoor lag in de 14e eeuw. In de 20e eeuw werd ivoor vooral gebruikt in de kunstnijverheid, in de biljartballenindustrie en in de pianobouw, waar de toetsen met ivoor werden belegd. [1] Naast olifanten worden ook walrussen wel gejaagd voor hun walrusivoor. Ook het fossiele ivoor van de mammoet — vooral uit Siberië — wordt wel gebruikt. Omdat dit vaak lang in de grond heeft gezeten, is het donkerder van kleur, soms zelfs bijna zwart. De jacht op olifanten ten behoeve van het ivoor was een van de oorzaken van een sterke daling van het aantal olifanten. Om de illegale jacht op olifanten te ontmoedigen werd in 1989 elke handel in ivoor verboden. Sinds het aantal olifanten in Afrika weer is toegenomen, is de handel in ivoor onder strikte voorwaarden weer toegestaan. Ivoor Ivoor is hard en duurzaam. Het voelt heel prettig aan. Al in de oudste beschavingen werd het gebruikt voor de vervaardiging van beeldjes of om erop te tekenen. In de 20e eeuw werd ivoor vooral gebruikt in de kunstnijverheid, in de biljartballen-industrie en in de pianobouw, waar de toetsen met ivoor werden belegd. Ivoor is een prachtig materiaal. Het is heel mooi te bewerken. O.a. draaien, snijden , frezen en polijsten. Het is ook prima te kleuren. Veel schaakstukken werden rood of bruin gekleurd. Vooral in China en Japan werden vroeger prachtige snijwerken gemaakt. Het schip dat op de homepage staat is een bijzonder mooi voorbeeld. Het is te bezichtigen in het Maritiem Museum te Sneek. Dit schip is door ons gerestaureerd. Er zijn meerdere soorten ivoor: Afrikaans ivoor. Dat is van de olifanten met hele grote oren. Dit is grover van structuur en vaak wat contrastrijker. De ringen op de kopse kant zijn ook duidelijker te zien. Indisch ivoor is fijner en vaak iets lichter van kleur. Het wordt op dezelfde manier bewerkt. Walrustand wordt ook ivoor genoemd. Door de kleinere afmeting is het gebruik beperkter. Zwijnentanden werden veel gebruikt als wandelstokgreep. De tanden van de potvis worden ook verwerkt. Veel zeelieden op de grote vaart hebben daar figuren in gegraveerd als souvenier voor het thuisfront. Narwaltanden zijn zeldzaam. Deze werden vaak tot wandelstok verwerkt. .

Dert Restauratie


Wilt u informatie over conserveren of restaureren van een object, dan kunt u telefonisch of per e-mail een afspraak maken. In een persoonlijk contact kan ik dan met u bespreken wat uw wensen en verwachtingen zijn, wat de mogelijkheden zijn, welke resultaten van verschillende restauratiemethoden verwacht kunnen worden en wat de kosten daarvan zullen zijn.

Dert Restauratie


Dert restauratie, Eikbosserweg 6, 1214 AH Hilversum, Telefoon: 035-6247719, Mobiel: 06-26356984, info@dertrestauratie.nl

Albast


Albast De naam albast of albaster wordt gebruikt voor verschijningsvormen van twee verschillende mineralen: gips en calciet (of seleniet). De hardheid van beide varianten vormt een belangrijk verschil. Gipsalbast is zo zacht dat het makkelijk met een vingernagel bekrast kan worden (hardheid 1,5 tot 2). Kalkalbast is bestand tegen vingernagels, maar kan wel met een mes worden bekrast (hardheid 3). • Kalkalbast Kalkalbast is een geelachtig wit, vrij hard marmer. Het wordt ook oriëntaalse albast genoemd omdat het al in de oudheid bewerkt werd in het Midden-Oosten. Een andere naam is onyxmarmer, omdat de gebande structuur aan onyx herinnert. De Griekse naam alabastrites is wellicht afkomstig van de stad Alabastron, in Egypte, waar de steen werd gedolven, maar het is ook mogelijk dat de stad naar de steen is vernoemd. Er is tevens gesuggereerd dat de naam uit het Arabisch stamt.[bron?] Het oriëntaalse albast werd veel gebruikt om parfum- en zalfflesjes van te maken. Bovendien werden Egyptische canopische vazen vaak van albast gemaakt.[bron?] Gipsalbast Gipsalbast is een doorschijnende steensoort die bestaat uit niet helemaal uitgekristalliseerd gips en wordt in knollen aangetroffen. De vindplaatsen zijn onder andere Engeland, Italië, Spanje en Egypte. Aan de buitenkant vertonen de albastknollen vaak onregelmatigheden. Kleiresten en delen aarde bevinden zich hier voor een deel in de steen. Deze verontreiniging is karakteristiek voor albast en verleent de steen mede hierdoor zijn charme. Tegenwoordig wordt gipsalbast nog steeds gebruikt voor het vervaardigen van kunst- en gebruiksvoorwerpen. Trivia Wanneer een echtpaar 75 jaar is getrouwd wordt dat een albasten bruiloft genoemd. Zie ook • Gips • Calciet

Glas


Glas Glas is een amorfe (niet-kristallijne) vaste stof. De bekendste verschijningsvorm is het kleurloze glas, zoals dat voor vensters en drinkglazen wordt gebruikt. Dit glas bestaat voornamelijk uit de stof silica of siliciumdioxide (SiO2). Hoewel glas geen kristalstructuur heeft, heeft het met veel kristallen gemeen dat het doorzichtig is en het licht breekt. Dit leidt tot verwarring in de naamgeving. Er bestaat zelfs een glassoort die kristalglas of kortweg kristal wordt genoemd. Deze benamingen zijn onjuist: kristalglas spreekt zichzelf tegen en kristal is het beslist niet. De uitspraak "Dit is geen glas, het is kristal" klinkt wetenschappelijk correct, want glas is inderdaad geen kristal. Juister is echter: "Dit is glas, maar geen gewoon glas, want het is kristalglas." In sommige talen, zoals Spaans, is cristal (naast vidrio) een woord voor gewoon glas. • Glasovergang Wanneer een vloeistof voldoende snel wordt afgekoeld, ontbreekt vaak de mogelijkheid om te kristalliseren, doordat het materiaal de gelegenheid niet krijgt om groeikernen voor de kristalgroei te vormen. Bij een temperatuur die meestal veel lager ligt dan het kristallijne smeltpunt ondergaat het materiaal dan een ander soort stollingsproces: een glasovergang. Bij beide vormen van stolling (glaspunt en vriespunt) gaan veel vrijheidsgraden van beweging verloren en kunnen de atomen van het materiaal niet meer vrij bewegen, maar alleen nog om een evenwichtspunt trillen. Het verschil tussen de twee overgangen is dat bij het vriespunt ook een ordening van de structurele eenheden van de stof plaatsvindt, wat bij een glasovergang achterwege blijft. Onder het glaspunt is het systeem een amorfe vaste stof, erboven een onderkoelde vloeistof. Soorten glas De bekendste vorm van glas, in gebruik voor ramen, flessen, (drink)glazen, vazen e.d. is een mengsel van silicaten. De belangrijkste grondstof daarvoor is kwarts of silica (SiO2) meestal gewonnen uit zand. Silica is een zuur oxide, dat met water kiezelzuur kan vormen. Kwartsglas In pure vorm kan van silica ook een glas gemaakt worden: kwartsglas. Dit materiaal is echter moeilijk te bewerken; het heeft bijvoorbeeld een hoog en vrij abrupt smeltpunt (boven 1700 °C). Kwartsglas wordt alleen voor speciale doeleinden toegepast, bijvoorbeeld in cuvetten die UV-licht doorlaten of voor ampullen die hoge temperaturen moeten kunnen doorstaan. Het is echter naar verhouding duur. De verwachting is dat dat binnenkort echter verandert omdat er een nieuwe manier is gevonden om kwartsglas te bewerken namelijk door middel van een sterke laser die relatief goedkoop is.[bron?] kwartsglas (chemische structuur) het vierde zuurstofatoom ligt steeds boven het siliciumatoom. Bergkristal Net als kwartsglas bestaat bergkristal uit zuiver silica. Door de lange tijd die het kristalrooster heeft gekregen om zich te vormen, is het (quasi) volmaakt gekristalliseerd: het rooster bestaat uit regelmatige SiO4-teträeders, die in een driedimensionaal patroon gerangschikt zijn. Het is daarmee een kristallijne vaste stof en niet een glas. Van buitenaf is dat verschil niet goed te zien, maar in het Röntgendiffractiepatroon is het verschil erg groot. Commercieel glas Wegens de hoge verwerkingstemperatuur (en de bijhorende hoge verwerkingskosten), voegt men bij commerciële glassoorten verzachters toe als CaCO3 en Na2CO3 (die bij het smelten overgaan in resp. CaO en Na2O onder vorming van kooldioxide). De vermindering van het aantal dwarsverbindingen maakt het glas zachter en vermindert de glastemperatuur. Gewoon glas bestaat uit slechts 70% SiO2, en veel zachtmakers (10% CaO, 15% Na2O) en wordt verwerkt op 700 °C. Wegens zijn samenstelling noemt men het ook natronkalkglas. Het heeft een hoge thermische uitzetting, en is daardoor niet geschikt voor laboratoriumtoepassingen. Daar gebruikt men een glas met een bijzondere samenstelling (Pyrex) of het veel duurdere kwartsglas. Die materialen zijn goed tegen snelle temperatuursveranderingen opgewassen. Men verdeelt commercieel glas in 3 grote groepen: • het vlakglas (ramen, autoruiten, spiegelglas, draadglas ...) • het verpakkingsglas (flessen, (drink)glazen, vazen,gloeilampen,...) • het technisch glas (glasvezel, glaswol, ...) Voor het produceren van verpakkingsglas (drinkglazen, vazen, flessen e.d.) worden de volgende drie methodes gebruikt in glasfabrieken: • Blaas/blaasproductie • Pers/blaasproductie • Persproductie Om deze holglasproducten de juiste vorm te geven worden glasvormen of glasmoulds gebruikt. Fabricage Het meeste glas wordt gefabriceerd door aan het zure SiO2 basische verbindingen, zoals natrium- of kaliumhoudende carbonaten, toe te voegen. Ook zware metalen zoals lood (in kristalglas) worden toegepast. Glas is chemisch gezien dus een mengsel van silicaten Na-K-Ca-Mg-...-Si-O. Afhankelijk van de precieze samenstelling heeft het glas verschillende eigenschappen, bijvoorbeeld een ander smeltpunt, een andere brekingsindex, dispersie of een andere uitzettingscoëfficiënt. Omdat bij verwarming een glazen voorwerp door uitzetting kan springen, maakt men glas met een speciale samenstelling (Pyrex), waar dit soort problemen minimaal zijn. Voor toepassingen in de optica, met name voor speciaal gecorrigeerde objectieven, worden glassoorten met zeldzame aarden of fluoriet gebruikt die een extreem lage dispersie hebben. Geblazen glas Blazers laten een bol van glas verwarmen aan het einde van een riet (holle metalen buis), en blazen in dit riet om het glas te laten uitzetten en aldus een bolvormig element uit glas te bekomen. Naderhand rekt men deze bolvorm uit (tot een cilindervorm), en snijdt men die cilinder overlangs. Dan kan men de cilinder platdrukken, en heeft men een plat glasoppervlak. Deze methode wordt ook gebruikt voor de massaproductie van flessen, bokalen en lampen in geautomatiseerde glasfabrieken. Het glas wordt geblazen bij een temperatuur van 700 °C. Nadien wordt het glas in een andere oven geplaatst van 500 °C. Dit gebeurt om het glas niet te snel te laten afkoelen waardoor het zou springen. Getrokken glas Men maakt een bad van gesmolten glas, plaatst een (rechte) staaf horizontaal in de vloeistof, en trekt deze staaf omhoog. Het glas is zo visceus dat deze de staaf zal meevolgen. Op deze manier wordt snel een plat glasoppervlak verkregen, hoewel deze niet perfect is. Oude ramen zijn vaak nog opgebouwd uit platen getrokken glas, dit is te zien door de zogenaamde trekstrepen: het glas is plaatselijk dikker en dunner, waardoor de ruit een vertekend beeld geeft. In Nederland werd in 1979 de laatste fabriek volgens dit procedé gesloten. Floatglas Deze methode werd in 1952 uitgevonden door Pilkington: men giet het gesmolten glas bovenop een bad van gesmolten tin. Het glas is lichter dan het tin, waardoor het er bovenop blijft drijven. Gesmolten metalen hebben een perfect vlak oppervlak en op deze manier is ook (de onderkant van) het glas perfect vlak. De oppervlaktespanning van het glas zelf zorgt voor een perfect gladde bovenkant. De floatglasmethode wordt vooral gebruikt voor het maken van grote glasplaten (6,0 x 3,21 m). Het wordt toegepast in een continu gietproces: aan één kant wordt het vloeibare glas op het vloeibare tin gegoten, aan de andere kant wordt de gestolde glasplaat verder afgekoeld en in gewenste afmetingen gesneden. Men kan naar wens de dikte van de glasplaat variëren tussen 0,4 en 25 mm. Momenteel wordt zo'n 90% van alle glas volgens deze methode gemaakt. De enige Nederlandse floatglasfabriek staat in Tiel en produceert per dag 50.000 m² glas, teruggerekend naar een dikte van 4 mm. België heeft meerdere floatglasfabrieken: een in Mol in de Kempen (40.000 m² per dag), vier in Moustier-sur-Sambre (280.000 m² per dag) en twee in Jemeppe-sur-Sambre (120.000 m² per dag), alles teruggerekend naar 4 mm dikte. Bewerkingsmogelijkheden • frezen • snijden met een glassnijder • waterstraalsnijden • graveren • etsen • decoreren • brandschilderen Andere soorten glas Silicaten zijn zeker niet de enige materialen die een glasovergang ondergaan. We hoeven maar in de moderne huiskamer om ons heen te kijken. Veel van de kunststoffen die we daar aantreffen worden ook in de glasvorm toegepast. De kristallijne vorm is bij polymere kunststoffen zelfs eerder uitzondering dan regel. Het is zelfs mogelijk om metaalglazen te maken. Daartoe moet de smelt echter wel zeer snel afgekoeld worden, omdat glasvorming vooral gemakkelijk optreedt wanneer de smelt viskeus (stroperig) is en dat is bij metalen niet zo. De benodigde ultrasnelle afkoeling wordt bereikt door een dun straaltje gesmolten metaal op een trommel te schieten die snel ronddraait en van binnen uit sterk gekoeld wordt. Het zo gevormde materiaal heeft allerlei interessante eigenschappen maar kan slechts op kleine schaal en in dunne lagen vervaardigd worden Er wordt daarom naarstig gezocht naar legeringen waarvan de glasvorming wat minder moeizaam is en er zijn nu inderdaad een aantal materialen bekend waarvan ook in grotere massa metaalglazen te vervaardigen zijn. [1] Eigenschappen van glazen Een groot voordeel van glazen is dat het isotrope materialen zijn, die geen korrelgrenzen vertonen. De isotropie en de relatief gemakkelijke vormbaarheid van een glas maakt het mogelijk om 'glasheldere' doorzichtige voorwerpen te maken. Ook andere eigenschappen zoals sterkte en hardheid zijn vaak erg goed en bovendien te regelen door de samenstelling te veranderen. Daarnaast kan glas goed tegen bijtende stoffen. Een nadeel is dat glas erg breekbaar is. Voor polymere glazen is dat ook het geval, maar het is mogelijk om materialen te maken die zowel glasachtige delen en rubberachtige delen bevatten, waardoor men het beste van twee werelden kan verkrijgen, zowel de hardheid van het glas en de taaiheid van de rubber. Een goed voorbeeld daarvan is HIPS (High-Impact PolyStyreen). Vloeistof of vaste stof Er werd vroeger wel gezegd dat glas eigenlijk een vloeistof is die zeer langzaam stroomt. Dit zou te meten zijn door in oude ruiten de dikte van de onderkant te vergelijken met die van de bovenkant.[2] Dat verhaal, dat ook op scholen werd onderwezen, is echter onjuist. Volgens een berekening van Edgar Dutra Zanotto van de Universiteit van Sao Carlos in Brazilië in het American Journal of Physics zou zelfs glas met een lage viscositeit er 1032 jaar over zou doen om merkbaar te vervormen.[3] Aangezien 1032 jaar een extreem lange periode is, volgens elke schatting vele malen langer dan de ouderdom van het universum, kan men bij kamertemperatuur onmogelijk enige vloei van deze stof waarnemen. De dikteverschillen in oude ruiten zijn te verklaren uit fabricagemethoden die in het verleden werden gebruikt. Glasplaten werden gemaakt door het dikvloeibare glas rond te draaien. De buitenste rand werd daarbij dikker. Bij het plaatsen van de rechthoekig gesneden ruit, plaatste men de dikste kant aan de onderzijde, vanwege de stabiliteit. Er zijn wel stroperige vloeistoffen die eruitzien als een vaste stof, maar waarvan duidelijk is aangetoond dat het om een vloeistof gaat met een zeer hoge viscositeit, bijvoorbeeld pek of bitumen bij het pekdruppelexperiment. Daarbij gaat het om materialen waarvan het glaspunt veel dichter bij kamertemperatuur ligt (glasovergang). Volgens een andere benadering zou een glas een onderkoelde vloeistof zijn. Deze benadering gaat ervan uit dat een vloeistof bij afkoeling een vloeistof blijft, zolang het niet kristalliseert tot een kristallijne vaste stof. Aangezien glas niet uit kristallen is opgebouwd, zou het geen vaste stof zijn. Een praktischer definitie noemt een stof een vloeistof als het een homogene stof is die kan vloeien, of het nu kristallijn of amorf is. Ook een glas als dit is volgens die definitie duidelijk een vaste stof. In het algemeen is er duidelijk een temperatuur aan te wijzen waarbij een glas smelt en overgaat in een stroperige vloeistof en daarom worden in de wetenschap glazen in het algemeen onderscheiden van onderkoelde vloeistoffen. Ook volgens deze definitie is het antwoord op de vraag of een glas een vloeistof is dus negatief: een glas is iets anders dan een onderkoelde vloeistof. Een voorname bron van verwarring daarbij is dat het overgangspunt afhankelijk is van de frequentie van de temperatuurfluctuatie waarmee men het fenomeen bestudeert. Bij hogere frequentie is het punt wat hoger. Wanneer men een materiaal neemt waarvan het glaspunt vlak bij kamertemperatuur ligt is het dus goed mogelijk dat het breekt als een glazen vaste stof als men het snel op de grond gooit, maar vloeit als een vloeistof als men op een veel grotere tijdschaal bekijkt. Men spreekt van het tijd-temperatuur-superposit ieprincipe om aan te duiden dat de tijdschaal en de temperatuurschaal gedeeltelijk uitwisselbaar zijn. De verschuiving van de glastemperatuur (Tg) met de tijdschaal is echter niet groot en dat verklaart ook waarom ver beneden het glaspunt (zoals voor vensterglas bij kamertemperatuur) geen vloeistofgedrag meer te verwachten is. Voor veel polymeren ligt dat wat anders. Dat zijn vaak glazen met een glastemperatuur die slechts 100-200 °C beloopt in plaats van 700-1000 °C voor silicaten. Hoewel vloei ook voor deze materialen nauwelijks een rol speelt is er soms wel sprake van veroudering (aging) waarbij onder loop van jaren de mechanische eigenschappen van het polymeer geleidelijk veranderen. Dit is vooral een zaak waarmee men rekening moet houden als men de kunststof in een constructie wil toepassen. Ook deze veroudering is een gevolg van de nabijheid van het glaspunt.

Plateel


Plateel Plateel is een bepaald soort keramiek (aardewerk). Het decor of motief wordt met de hand door een zogenaamde plateelschilder op het plateel geschilderd voordat het voor de tweede keer gebakken wordt. Dit werk vindt plaats in de plateelbakkerij. • Platte schotel Het woord plateel is afgeleid van het Oud-Franse woord platel, dat platte schotel betekende. Vanaf de zeventiende eeuw gebruikt men het woord plateel voor al het beschilderde Hollandse majolica en Delftse faience. Dit aardewerk werd apart benoemd om het te kunnen onderscheiden van het Chinese porselein. Tegenwoordig wordt al het poreuze aardewerk, gevormd in mallen, al dan niet beschilderd en voorzien van een laagje glazuur, met het woord plateel aangeduid. Plateelbakkerijen Een plateelbakkerij is een aardewerkfabriek die plateel produceert. Nederland had tot in de twintigste eeuw een groot aantal beroemde plateelbakkerijen, waarvan vele inmiddels zijn verdwenen. Deze bevonden zich voornamelijk in Delft, Gouda en Rotterdam, maar ook het Friese Makkum bezat een beroemde plateelbakkerij. Bekende fabrieken waren/zijn:Arnhemsche Fayencefabriek, Goedewaagen, De Porceleyne Fles, Regina, Flora, de Plateelbakkerij Zuid-Holland (PZH), Rozenburg, ESKAF en Plateelfabriek De Distel. Nijverheid en kunstzinnigheid De meest vooraanstaande (en zelfs wereldberoemde) plateelbakkerijen maakten niet alleen gebruiksaardewerk, maar werden vooral bekend door artistiek sieraardewerk. Door het aantrekken van talentvolle kunstenaars en vormgevers werd in de bakkerijen ambachtelijkheid gecombineerd met kunstzinnigheid. Zo zien we Art Nouveau en Art Deco prominent vertegenwoordigd in keramische producten uit Nederland. Rond de Eerste Wereldoorlog was Theodoor Colenbrander (1841-1930) één van de bekendste kunstenaars, die zijn artistieke ideeën in en op keramiek realiseerde. Concurrentie van massa-keramiek Na de Tweede Wereldoorlog leefde de aardewerkindustrie in Nederland aanvankelijk sterk op, maar halverwege de jaren zestig begon de neergang. De dure producten van de ambachtelijke Nederlandse keramische industrie moesten concurreren met goedkope massaproducten uit het buitenland. De aardewerkindustrie moderniseerde door het toepassen van betere technieken en een rationelere organisatie en marketing. Hierdoor kon weliswaar betrekkelijk goedkoop massa-aardewerk tegen lage prijzen worden geproduceerd, maar kwam de artistieke kwaliteit van de Nederlandse industrie steeds meer onder druk te staan. Het met de hand beschilderen van plateel, dat veel vakmanschap vereist, werd vervangen door productie door machines, die decors door middel van transfers aanbrachten of gebruik maakten van zeefdruktechnieken. Het machinaal produceren van keramiek had ook grote gevolgen op de vormgeving: massaproductie staat alleen relatief eenvoudige standaardvormen toe en biedt nog maar weinig ruimte aan de inspiratie van kunstenaars en vormgevers. Overleven door kwaliteit De Nederlandse overlevers in de sterk concurrerende markt voor keramiek konden overleven dankzij de bijzondere producten die ze maken. Zo nam de keramiekfabriek Flora in de jaren tachtig jonge, talentvolle kunstenaars als Jeroen Bechtold en Doroté van Agthoven in dienst, die een keur aan fraai sieraardewerk ontwierpen. Naar hun werk is nog steeds vraag, vooral bij de groep gespecialiseerde keramiekverzamelaars. Voor modern, kunstzinnig vormgegeven en beschilderd keramiek bestaat nog steeds veel belangstelling, maar ook naar het meer traditionele gebruiks- en sieraardewerk van bijvoorbeeld Goedewaagen is nog altijd veel vraag. Zie ook: Lijst van Delftse plateelbakkerijen in de 17de eeuw

De Restauratie


Het behoud van het object komt altijd op de eerste plaats. Een restaurator zal een object dan ook nooit opnieuw bakken, maar gebruikt restauratiematerialen en methoden die professioneel zijn. Dit houdt in dat ze voldoen aan de normen die binnen de restauratiewereld gelden. Ze zijn o.a. getest op duurzaamheid, veiligheid en reversibiliteit. Doel van een restauratie is een object, zoveel als mogelijk en wenselijk, terug te brengen in de oorspronkelijke staat. Dit maakt het mogelijk van een object te genieten zonder te veel afgeleid te worden door barsten, gaten en andere onvolkomenheden.

Antiek


Antiek Het woord antiek is een collectieve aanduiding voor oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen. De belangrijkste criteria die bepalen of een voorwerp antiek is, zijn: Het voorwerp moet door mensenhand gemaakt zijn. Het moet een zekere ouderdom bezitten. Doorgaans wordt daarbij uitgegaan van een leeftijd van 50 jaar; in bepaalde gevallen is een voorwerp echter pas antiek als het 75 of zelfs 95 jaar oud is. Bij boeken geldt een wat minder streng criterium: zij zijn antiek als ze ten minste 75 jaar oud zijn. Boeken van recenter datum, die echter niet meer leverbaar zijn bij de uitgever, heten zeldzaam. Bij het zogenaamd modern antiquariaat (of "ramsj") is er in het geheel geen ouderdomscriterium: hier gaat het om (recente) uitgeversrestanten die voor een fractie van de prijs worden verkocht. Antiek en oude kunst Antiek dient te worden onderscheiden van kunst. Van het laatste is sprake als het voorwerp van een uitzonderlijke en unieke kwaliteit is. Bij antiek is dat doorgaans niet het geval; weliswaar kan er uitstekend vakmanschap aan ten grondslag liggen, maar overigens is de ouderdom belangrijker dan de kunstzinnige waarde. Een Van Gogh is een kunstwerk, geen stuk antiek. Een aardig schilderij uit dezelfde tijd, dat op geen artistieke kwaliteiten aanspraak kan maken, is wel antiek. Het onderscheid is soms moeilijk te maken, met name waar het om gebruiksvoorwerpen gaat die door hun design beroemd zijn geworden. De Rietveldstoel uit 1918, glaswerk van Chris Lebeau uit de jaren twintig of oud batikwerk uit Indonesië kunnen, indien het ouderdomscriterium niet al te streng wordt toegepast, als antiek worden beschouwd. Evengoed kunnen ze echter als kunstwerk worden opgevat. Categorieën Enkele veelvoorkomende soorten van antiek zijn de volgende. Schilderijen Schilderijen kunnen uiteraard tegelijkertijd kunst zijn (als zij artistieke waarde hebben) en ook antiek (als zij aan het ouderdomscriterium voldoen). De veelgehoorde uitdrukking "kunst en antiek" suggereert dan ook ten onrechte dat het hier om twee categorieën zou gaan die elkaar uitsluiten. De waarde van een antiek schilderij is, los gezien van de artistieke waarde, afhankelijk van onder meer de staat waarin het verkeert, het onderwerp (hier zijn modetrends herkenbaar) en de toepasselijkheid (vaak is een schilderij dat een bepaalde lokaliteit weergeeft, in de regio zelf meer gewild dan elders). Ook gravures, meestal etsen, worden veel door antiquairs verhandeld. Dit betreft algemeen plaatwerk, stadsgezichten, kaarten en kopieën van schilderijen. Sommige etsen zijn na het drukken met de hand ingekleurd. Omdat etsen reproduceerbaar zijn en dus minder zeldzaam dan schilderijen, zijn ze over het algemeen veel goedkoper. Oude boeken en atlassen bevatten eveneens vaak gravures, die soms los verhandeld worden. Meubilair Meubilair wordt wel gezien als verlengstuk van de architectuur, zij het dat meubels dan het beweeglijke deel vormen. (Het Latijnse mobilis, "beweeglijk", verwijst wellicht naar die verplaatsbaarheid, hoewel ook wel is verondersteld dat het herinnert aan de reiskisten die hooggeplaatsten in de Middeleeuwen op hun reizen meenamen om hun bezittingen te vervoeren.) Aangezien meubels vaak van hout zijn gemaakt, waren zij vergankelijk. De meeste stammen uit de Gotiek of uit later perioden. Daarbij is de periodisering deels afhankelijk van het land van herkomst: zo spreekt men in Engeland van stijlen als Regency of George III, terwijl op het vasteland van Europa stijlen als Louis XVI bekender zijn. Bij meubilair, maar ook bij andere vormen van antiek, moet nog de Amerikaanse koloniale stijl worden genoemd. Die benaming zou verwarring kunnen wekken: zij verwijst naar de periode waarin de huidige Verenigde Staten zelf nog een kolonie waren. Oudere meubelen zijn vaak zwaar, ze werden aanvankelijk zelfs uit een enkel stuk hout vervaardigd, en er kwam nog geen metaal aan te pas. In de 17e eeuw deden gevorderde technieken hun intrede: het houtdraaien maakte lichtere uitvoeringen mogelijk, bekledingen werden geïntroduceerd, en versieringen (vergulden, lakken) werden toegepast. De gebruikte houtsoorten zijn, met name tot 1750, vaak inheems geweest. In Nederland werd veel eikenhout gebruikt, in de Scandinavische landen lag het accent veeleer op vuren. Dit maakt het determineren van de herkomst van een meubel makkelijker. Allengs werd echter ook hout uit de koloniën gebruikt, wat uiteraard vooral voor duurdere stukken gold. Het hout kan op allerlei wijzen bewerkt zijn, maar vaak is het patina, de diepe tint die het materiaal in de loop der eeuwen kreeg, van grote waarde. Meubilair valt in enkele hoofdgroepen uiteen. Zitmeubels Zitmeubels kunnen variëren van eenvoudige houten krukjes tot stoelen, banken en sofa's; bekleding en versiering worden in de loop der eeuwen vaak verfijnder en kostbaarder. Tafels Een tafel kon gebruikt worden om er aan te eten, maar ook om aan te schrijven. Vanaf het middeleeuwse begin, met de eenvoudige schragentafels, via kloostertafels, ontstaan ingewikkelde soorten. Een hangoortafel is veelal ovaal, en de uiteinden kunnen worden neergeklapt; een gatelegtafel heeft draaiende pootconstructies. In de 18e eeuw deed zich een tendens naar intimiteit voor: eettafels, die voorheen nogal groot waren geweest, werden nu juist in kleinere uitvoeringen vervaardigd. Naast de genoemde vormen bestaat er nog een veelheid aan variatie, van toilet- tot dien-, bijzet- en schaaktafels. Bergmeubels De eerste bergmeubels waren waarschijnlijk opbergkisten (zie boven), die allengs poten kregen. Vervolgens werden deze kasten hoger uitgevoerd, of kregen ze een opbouw; verplaatsing was niet langer een doel. Het gebruik werd specialistischer: er ontstonden linnen- en garderobekasten, vaak met deuren, maar daarnaast kwamen ladekasten in zwang, waarvan de tafelachtige commode een voorbeeld was. Kabinetten werden ontworpen voor het opbergen van waardevolle papieren of kostbaarheden. Wilde men die kostbaarheden ook nog laten zien, dan deed een vitrinekast dienst: vaak bevond zich alleen in deuren, aan de voorkant, glas. Aan de wand van een eetkamer bevond zich een dressoir (Engels: dresser); daarin werd serviesgoed bewaard, maar het dressoir diende ook als serveertafel. Boekenkasten konden deel uitmaken van een groter geheel (dan hadden ze bijvoorbeeld een onderstel van laden); de bovenkast was vaak van glas voorzien. In 1808 werd een variant uitgevonden die om zijn as kon draaien en daardoor vier rijen boeken kon tonen: de boekenmolen. Schrijfmeubelen Schrijfmeubelen ontstonden in de 17e eeuw. Zij kunnen een schuin opstaand blad hebben, dat in neergeklapte positie te gebruiken is als schrijfblad; maar er zijn ook modellen (de zogenaamde escritoires of secretaires) waarvan het blad verticaal naar boven klapt, en dus ogenschijnlijk een deel van de staande wand van het meubel vormt. Ook voor de 17e eeuw werd er uiteraard al geschreven, en de gewone tafels ontwikkelden zich in de 16e eeuw tot speciale schrijftafels, vaak met een licht hellend blad en met laden onder dat blad. Ze stonden, zoals andere tafels, op vier poten. Later kwam het bureau zoals wij dat kennen: een blad dat aan weerszijden werd gestut door een ladenkolom. Overig meubilair Naast de genoemde hoofdgroepen valt nog aan een grote verscheidenheid andere meubels te denken. Bedden konden zeer fijn bewerkt zijn, en bekende vormen aannemen, zoals het hemelbed en het bootbed (dat laatste werd zo genoemd vanwege de zijkanten, die cirkelsegmenten vormden: het midden daarvan was lager dan hoofd- en voeteneinde). Etagères, (muziek)standaards, dienbladen, spiegels, wastafels, kamer- en haardschermen zijn enkele andere voorbeelden van meubilair. Klokken, horloges, instrumenten Klokken Uit de Oudheid stammen zonnewijzers en waterklokken, terwijl over de vroege Middeleeuwen weinig bekend is. Een klok is zowel een mechaniek als een meubelstuk. Mechanische klokken zijn vanaf de 13e eeuw bekend. De eerste mechanieken werden door gewichten gaande gehouden; aan het begin van de 15e eeuw kwam het veermechanisme in gebruik, en in de 17e eeuw deden zich grote technische vorderingen voor. Enkele hoofdtypen die kunnen worden onderscheiden, zijn: wandklokken (zoals in de Nederlanden de stoelklok of in Europa de lantaarnklok), staande klokken (zoals het Amsterdams staand horloge), tafelklokken en rijtuigklokken. De laatste hadden een draaggreep voor het vervoer, en dikwijls hoort er een etui bij. Een bijzonder voorbeeld is nog de chronometer: zo leidde de uitvinding van de scheepschronometer tot preciezer metingen op zee. Zogenaamde "regulateur", eerste helft twintigste eeuw Regulateurs zijn precisiemechanismen die door een aanpassing in de slinger een verbetering waren op de reeds bestaande klokken. Het zijn zeer herkenbare hangende klokken door hun rechthoekige vorm en deur welke voor de hele kast geplaatst is. Ze zijn er in vele uitvoeringen, van heel sober met alleen een sokkel (zie afb.) tot klokken met bijvoorbeeld een jachttafereel als kroon en knoppen en druppels aan de onderkant van de kast en sokkel. Zie ook bijvoorbeeld de paardjesklok. In de 17e eeuw werd nog een vergelijkbaar instrument uitgevonden, dat niet de tijd mat maar de luchtdruk, en daarmee een weersverwachting gaf: dat was de barometer. In de 19e eeuw werden nog veel andere hoogwaardige mechanische instrumenten vervaardigd, van sextanten tot precisie-weegschalen, die in de antiekmarkt erg gewild zijn. Horloges De uitvinding van het veerwerk maakte de ontwikkeling van zakhorloges mogelijk, die in de 16e eeuw ontstonden; hun opvolgers, de polshorloges, dateren van het begin van de 20e eeuw. Kleden, tapijten, textiel Het verschil tussen kleden en tapijten betreft de afmetingen: kleden zijn niet groter dan ruwweg 2½ bij minder dan 2 m. Is die breedte ongeveer 1 m, dan is het een loper. Grondstoffen kunnen sterk variëren; met name zijn natuurlijke materialen gebruikt: wol, katoen, zijde. Dit geldt natuurlijk met name voor de tapijten die in vele landen reeds uit de 3e eeuw voor onze jaartelling bekend zijn. Het gebruik van tapijten is hetzij als vloerbedekking of als wandversiering; in het laatste geval wordt vaak gesproken van gobelins. Wandtapijten dateren vanaf het eind van de Middeleeuwen. De weefvormen vallen in twee hoofdgroepen uiteen. Platte weefsels zijn een samenstel van haaks op elkaar geweven draden, schering en inslag; kleden met pool hebben opstaande draden, de schering, vaak van wol en op maat geknipt, staat rechtop. Oosters Bij de bekende oosterse kleden en tapijten wordt al gauw aan producten van Perzische oorsprong gedacht, maar de herkomst kan variëren: zij komen evenzeer uit Turkije, Turkmenistan, de Kaukasus en het Verre Oosten. Een Perzisch tapijt van voor 1800 is vaak groot van afmeting, van wol of zijde geweven, soms met metaaldraad daar doorheen. Tussen 1800 en 1850 is de kwaliteit veel minder, maar na 1850 worden hoogwaardige tapijten gemaakt voor de export naar het Westen. Er zijn dan twee soorten: die welke van stammen afkomstig zijn en waarnaar ook nu nog veel vraag is, en die uit de steden. Rond 1880 worden westerse motieven waarneembaar, zoals bloemen. Vroeg-Ottomaanse tapijten (voor 1700) hebben vaak geometrische bloemmotieven en schrifttekens. De vraag naar deze tapijten is groot, de prijs hoog. Ook hier valt, vanaf de 19e eeuw, westerse invloed te bespeuren: voor die markt werden de tapijten nu veelal gemaakt. In tegenstelling tot de oudere exemplaren, die overwegend van wol waren, werd nu zijde en katoen meer gebruikt. Van het heterogene gebied dat de Kaukasus vormt, is van voor 1600 weinig productie bekend. Daarna zijn de motieven vaak helder van kleur en groot, de voorstellingen betreffen dikwijls bloemen of dieren. Er zijn, vooral uit het zuiden, veel kleden en lopers, vaak met vrij grove motieven. Voorwerpen uit Turkmenistan zijn vaak klein van omvang, wol wordt veel gebruikt, en behalve kleden en tapijten zijn er veel zakken, tuigage en andere gebruiksvoorwerpen vervaardigd. Geometrische dier- en plantmotieven komen veel voor. Tapijten uit het Verre Oosten zijn afkomstig uit China, maar ook uit Mongolië, Nepal, Tibet of Oost-Turkestan. Ze zijn vaak zwaar van uitvoering; de rug is vaak van katoen, de pool van wol. Hier zijn behalve de roodachtige kleuren ook vaak geel en blauw aanwezig. Ook nu weer komen gebruiksvoorwerpen voor. De motieven weerspiegelen vaak een andere cultuur dan die van het Nabije Oosten: zo komen op Chinese tapijten vaak draken of lotusbloemen voor. Europa Handgeknoopte Spaanse tapijten stammen uit de Moorse periode. Vaak is in de motieven een Turkse invloed herkenbaar, later ook Franse. Portugese tapijten zijn vaak op volkskunst gebaseerd. Een geheel ander soort tapijten werd in Frankrijk vanaf 1627 vervaardigd in de Savonnerie (een gebouw bij Parijs) en later, toen de vraag toenam, ook in het Zuid-Franse Aubusson. Motieven kunnen classicistisch zijn, maar ook allerlei andere stijlen weerspiegelen, afhankelijk van de heersende smaak. Na een onderbreking door de Franse Revolutie kwam de productie opnieuw op gang, voortaan vaak in de empirestijl en met militaristische of zeer gecompliceerde motieven. Goede Savonnerietapijten zijn uitzonderlijk duur. In Groot-Brittannië en Ierland kwam de productie pas rond het midden van de 18e eeuw op gang; tot dan toe werd er vooral geïmporteerd uit Perzië en Turkije. Toen er eenmaal tapijten werden geproduceerd, volgen die vaak de smaak van de dag, en ze laten dus een veelheid van stijlen zien. Enkele kenmerkende motieven zijn rozen en aardbeiplanten, maar ook heraldische figuren. Textiel Bij textiel valt te denken aan een veelheid van toepassingen: borduur- en ander naaldwerk, merklappen, lappendekens en gestikte dekens, maar ook kleding: jurken, sjaals, omslagdoeken, kantwerk, herenkleding. Het oudste in Europa bewaard gebleven borduurwerk is waarschijnlijk het Tapijt van Bayeux. Keramiek Keramiek valt, afhankelijk van de temperatuur van stoken, uiteen in drie groepen naar hardheid: het relatief zachte aardewerk, het harde porselein en een tussenvorm, steengoed. Enkele voorbeelden worden hieronder genoemd. Aardewerk In de 16e eeuw ontstond in Japan raku, dat vaak voor eenmalig gebruik was bestemd, en werd gestookt doordat men een (thee)kom in een vuurtje legde, waardoor die werd gebakken. In de Middeleeuwen ontdekten de Arabieren hoe ze met tinglazuur majolica konden maken. De naam die wij ervoor gebruiken, is afgeleid van "Majorca", maar de oudere antieke majolica is vooral afkomstig uit Italië (15e-16e eeuw en later). Vanaf de 17e eeuw werd het ook in Delft gemaakt. Steengoed Een bekend voorbeeld van steengoed zijn de Duitse bierpullen die rond 1500 tot ontwikkeling kwamen; bekend zijn de baardmankruiken: kruiken met daarop in reliëf een gezicht met een baard. Ook in Frankrijk en Engeland werd overigens steengoed gemaakt; in Engeland ging het aanvankelijk om Duitse import, en het duurde nog meer dan een eeuw voordat er inheems steengoed werd gemaakt. In China was steengoed al veel eerder bekend: hoogtepunten komen al voor in de Sung-periode (10e-13e eeuw). Porselein Het bekendste Oosterse porselein is waarschijnlijk dat uit de Chinese Ming-periode. Ook T'ang, Yüan en andere perioden brachten porselein voort. Soms was dit blauw-wit, soms polychroom, terwijl ook allerlei andere kleuren en patronen voorkomen. Vanaf de 17e en 18e eeuw produceerden ook vele Europese landen porselein. Glas en kristal IJzer. Voorwerpen van ijzer betreffen vrijwel uitsluitend gereedschappen, en worden zelden in de antiekhandel aangetroffen. Lood. Lood is erg zacht en wordt alleen gebruikt in glas in loodramen, hoewel er ook her en der sierlepels van lood zijn gemaakt. Tin. Tin is een veelgebruikt metaal voor kleinere gebruiksvoorwerpen, zoals bekers (de bierpullen-met-deksel op schilderijen van Pieter Bruegel de Oude zijn van tin), karaffen en suikerpotten, en voor siervoorwerpen (tinnen soldaatjes). Het is een zacht, makkelijk te gieten materiaal en wordt verzameld vanwege de karakteristieke diepgrijze kleur. Brons. Brons is een legering van koper en tin, en wordt al sinds de prehistorie gebruikt voor kunstvoorwerpen en wapens. Het materiaal is goed te verwerken. Bronzen voorwerpen die men in de antiekhandel kan verwachten zijn vooral (bewerkte) schalen en beelden. Brons kan (hoewel minder dan koper) oxideren waardoor het een enigszins grijsgroene kleur krijgt, die gewaardeerd wordt als teken van ouderdom. Zilver. Zilver is bijzonder populair, zowel voor kunst- als gebruiksvoorwerpen over de hele wereld. Men kan zilver gebruikt zien in combinatie met hout (wandelstokken met zilveren knop), glas (karaffen met zilveren deksel of handvat), meubels en kisten (ebbenhout en ivoor gevat in zilver beslag), leer (gordels en zwepen) enzovoort. Alle mogelijke voorwerpen zijn gemaakt in louter zilver: bestek, servies, sieraden, munten en beeldjes. Schalen en kommen en dergelijke worden ook wel van binnen verguld. Overigens wordt zilver nooit in volledig zuivere vorm verwerkt, maar gemengd met een kleine hoeveel ander metaal, bijvoorbeeld koper (Sterling zilver). Daarom worden zilveren voorwerpen gemerkt met stempels voor datum, plaats en maker. Deze stempels zijn altijd geregistreerd en kunnen dus worden opgezocht. Ook voor zilveren voorwerpen geldt dat het patina wordt beschouwd als een waardevol teken van ouderdom. De zachte glans van zilver ontstaat door het gebruik, dat talloze fijne krasjes veroorzaakt. Overpolijsten wordt daarom niet aanbevolen. Bij verzilverde voorwerpen zoals bestek, wordt een dun laagje zilver aangebracht over een metalen (bijvoorbeeld roestvrij stalen) oppervlak. Afhankelijk van de zwaarte van verzilvering worden deze ook wel gemerkt. Goud. Goud is zo duur, dat het meestal wordt verwerkt in combinatie met juwelen, daarom wordt het onder sieraden behandeld. Wel wordt het veel gebruikt voor munten, horloges en natuurlijk trouwringen. De marges van de antiek Onder druk van de markt neigt de ouderdomsgrens van antieke voorwerpen naar verschuiving; steeds recenter werk wordt dan als antiek beschouwd. Zo vielen uitingen van de Jugendstil al na zestig jaar binnen de categorie; Art Deco wordt nu als antiek beschouwd, terwijl ook voorwerpen uit de schrale oorlogstijd en uit de vijftigerjaren gretig aftrek vinden, evenals memorabilia zoals oorspronkelijke singles van de Beatles, oudere gesigneerde voetbalshirts, oud speelgoed enzovoort. In al deze gevallen gaat het, strikt genomen, (nog) niet om antiek in engere zin. Belangrijker is hier dat het voorwerp een authentieke vertegenwoordiger is van de periode waaruit het stamt. Jugendstil Jugendstil Art deco Veilingen, beurzen, rommelmarkten Veel antiek wordt verhandeld op beurzen en veilingen. Terminologie Voorwerpen en handel Doordat het woord antiek collectief gebruikt wordt, kan het niet één bepaald voorwerp aanduiden. Wil men dat toch doen, dan spreekt men van "stuk antiek", of van "antiquiteit": dat laatste woord wordt voornamelijk in het meervoud gebruikt. Een handelaar in antiek wordt een "antiquair" genoemd, tenzij hij in oude boeken handelt: dan is de aanduiding "antiquaar". In beide gevallen heet de handel, of de winkel waarin die plaatsvindt: "antiquariaat". Het woord komt daarnaast voor als bijvoeglijk naamwoord: "antiek voorwerp", "antiek schilderij" enzovoort. [bewerken] Oudheid In een andere betekenis wordt ook de Latijnse en Griekse Klassieke oudheid wel de "Antieke oudheid" genoemd; mensen uit die periode zijn dan "(de) antieken”. [bewerken] Externe link

Keramiek


Keramiek Keramiek is een materiaal dat noch een metaal noch een polymeer is. De keramiek kan worden omschreven als een materiaal dat wordt gevormd door verhitting (in bijvoorbeeld een oven) en soms ook druk, waarbij minimaal twee elementen aanwezig zijn. Eén ervan is non-metallisch en de ander mag zowel metallisch als niet-metallisch zijn. Het woord komt van het Griekse keramos, wat drinkvat of aardewerkvat betekent. Het wordt voornamelijk gebruikt voor het aanduiden van voorwerpen die van gebakken klei zijn gemaakt. Traditioneel zijn keramieken dan ook op klei (ofwel silicaten) gebaseerd. Hiervan zijn er zeer veel en ze worden gemaakt van uiteenlopende kleisoorten, diverse toeslagstoffen en allerlei procedés (bijvoorbeeld een verschillende oventemperatuur). Technische keramieken gebruiken ook andere elementen en worden voor verschillende mechanische toepassingen gebruikt. • Technische keramieken Er zijn twee verschillende types: • Ionaire keramiek: een verbinding van een metaal en een niet-metaal, bijv. NaCl (keukenzout), MgO, ZrO2 (zirconiumdioxide). De ionen stapelen zich in een zo dicht mogelijke stapeling. • Covalente keramiek: een verbinding van twee niet-metalen, zoals SiO2 (silicaat), C (diamant). De moleculen stapelen zich als kettingen, bladvormige structuren of tetraëdrisch. Mechanisch gedrag Technisch keramische materialen worden gebruikt vanwege zeer goede mechanische eigenschappen. Zo zijn het zeer harde stoffen en bezitten ze een hoge vloeigrens. Ze zijn erg slijtvast, hittebestendig, niet elektrisch en thermisch geleidend en non-magnetisch. Uiteraard zijn hier uitzonderingen op, zo zijn sommige keramieken zelfs supergeleidend. Een groot nadeel van dergelijke materialen is echter dat ze vaak niet ductiel of plastisch zijn. Door deze brosheid zal het materiaal snel bezwijken door het ontstaan van scheuren. Door het keramiek als een dunne laag aan te brengen op een taaier materiaal (zoals staal) kunnen de beste eigenschappen van beide worden gecombineerd (de slijtvastheid van het keramiek en de buigzaamheid van het metaal). Dit wordt bijvoorbeeld toegepast op boren. Soorten Traditioneel • Aardewerk wordt gebakken van klei, tussen 800 en 1250°C, waarbij geen sintering of verglazing optreedt. • Terracotta is ongeglazuurd aardewerk echter van roodbakkende klei. • Steengoed of gres wordt gemaakt van een kostbare kleisoort - gresklei- die kan worden afgebakken bij hogere temperaturen (1200-1300°C); hierbij versintert de klei, nadat keukenzout of soda aan het bakproces is toegevoegd; het product geschikt is voor het bewaren van vloeistoffen. • Porselein, gebakken van een speciale witte kleisoort, gemengd met kwarts en veldspaat, gebakken bij 1200-1400°C, waarbij het geheel verglaast. De basisgrondstof is kaolien of pe-tuntse afkomstig uit China. Kaolien wordt in Europa gevonden in de streek van Limoges en in Spanje. Technisch • Siliciumcarbide (SiC) • Boornitride (BN) • Yttrium-barium-koperoxide (YBaCuO) • Hydroxyapatiet (HA) • Siliciumoxide (SiO) • β-tricalciumfosf aat • Zirkonium(IV)oxide (ZrO2) Toepassingen Traditioneel • gebruiksvoorwerpen, zoals potten en serviezen in porselein, aardewerk of steengoed. • kunstvoorwerpen (zie beeldhouwkunst) • bouwmaterialen, bijvoorbeeld baksteen, straatstenen en tegels • wasbakken en toiletpotten Binnen de kunst staan vooral de vorm en kleur van keramiek centraal. Veelal wordt keramiek hierbij van een glazuurlaag voorzien. De Schijf van Phaistos zou een keramisch artefact (= door handwerk gemaakt voorwerp) kunnen worden genoemd, aangezien het een door mensen gemaakte schijf van aardewerk is. Technisch • Substraten in elektrische circuits • Gereedschap o Snijgereedschap o Boren • Implantaten bijvoorbeeld ter vervanging van botten en gebitselementen. • Keramische laag op bijvoorbeeld zuigerstangen • Isolatie bij hoge temperaturen o Ovens o Monstername van staal • Vensters voor infrarode lasers • Warmtewisselaars • Supergeleidende onderdelen • Kogellagers • Remschijven Maar ook in de eerste versies van het Philips Senseo koffiezetapparaat (het witte gaatje in de koffiepadhouder). Keramiekkunstenaars Invloedrijke keramisten in het Nederlandse taalgebied zijn onder andere Chris Dagradi (1954), Johan van Loon (1934), Jan Snoeck (1927), Pieter Stockmans (1940) en Jan van der Vaart (1931-2000). Zie ook • Oud-Grieks aardewerk • terra sigillata • Delfts blauw • Pottenbakken • Iznik-keramiek • Majolica • Aardewerk • Faience (aardewerk) • Harlinger Aardewerk- en Tegelfabriek • Porselein

Porselein


Porselein Porselein is een bijzondere vorm van keramiek of pottenbakkerskunst. Voor het maken van porselein is veel kennis en ervaring vereist. Bij de samenstelling van porselein wordt kaolien, een weerbarstige, witte kleisoort, gebruikt, vermengd met kwarts en een veldspaat. Bij het bakken is een hoge temperatuur vereist. Porselein wordt daardoor hard, doorschijnend en klinkt helder. Porselein is een goede isolator en dus een slechte geleider. Porselein is bovendien reuk- en smaakloos en verkleurt nauwelijks, ook niet als het bijvoorbeeld enkele eeuwen in een scheepswrak op de bodem van de zee heeft gelegen. Porselein wordt vooral gebruikt om borden, kommen en ander vaatwerk te produceren dat dienst doet bij het opdienen van voedsel. Porselein wordt ook gebruikt als basismateriaal voor elektrische isolatoren, omdat het stevig, duurzaam, weers- en hittebestendig is. Daarnaast wordt porselein gebruikt in de tandtechnische laboratoria bij het vervaardigen van kronen en bruggen. Ten slotte is porselein ook gebruikt om poppen te vervaardigen. • Productieproces Voor het maken van porselein is klei vereist. Klei heeft de bijzondere eigenschap dat het gekneed kan worden als het materiaal nat is. De klei wordt enige maanden in donkere kelders of putten opgeslagen om te rotten. Vele kleien zijn te vet om zonder toevoeging te kunnen worden verwerkt. Om porselein te maken voegt men aan de zo wit mogelijke klei, kaolien genoemd, zilverzand (kwarts) toe om de massa minder vet en bij verhitting glasachtig te laten worden. Het bijzondere van porselein is dat aan de klei een verpulverde steen wordt toegevoegd, veldspaat (of graniet), om de baktemperatuur te verlagen. De verhouding tussen de drie verschillende ingrediënten bedraagt 2:1:1. Vervolgens wordt het water uit de massa geperst en is het "deeg" klaar voor verdere bereiding. Na de vorming van het voorwerp met behulp van een draaischijf en mallen volgt een droogproces van drie maanden. Vervolgens wordt het Europese porselein tweemaal gebakken. De eerste keer bij 900 °C, waarna het zgn. biscuit ontstaat. Vervolgens wordt het glazuur (een waterig mengsel van porseleinaarde, vermengd met tin of lood) aangebracht. Het gladbakken gebeurt bij ca 1400 °C en duurt anderhalve dag. Bij het bakken is de krimp een groot probleem, ongeveer 10% van de massa is verdampt. Als de oven is uitgebrand en afgekoeld (het vullen en leeghalen duurde destijds ongeveer tien dagen), wordt het porselein beoordeeld op kwaliteit. In de 18de eeuw moest soms de helft van de productie worden weggegooid (de zogenaamde misbaksels), door een te lage of te hoge baktemperatuur. Veel porseleinfabrieken hielden het dan ook niet lang vol en gingen failliet. Meestal wordt het voorwerp in verfijnde kleuren beschilderd, waarna de decoraties worden gemoffeld in een oven bij 600-900 °C. Vroege geschiedenis De bakermat van het porselein ligt in het oude Chinese keizerrijk, waar het werd gebruikt bij de rituelen rond de voorouderverering en voor het opdienen van voedsel. Porselein werd tussen de 7de en de 9de eeuw n.Chr. ten tijde van de Tang-dynastie ontwikkeld om het dure groene jade en het witte jaspis te imiteren. Het aardewerk heeft een edele eenvoud. Soms wordt de ontwikkeling van porselein 500 jaar eerder gelegd, ten tijde van de Han-dynastie, toen het aardewerk voor het eerst werd geglazuurd.[2] Door de oven plotseling te doven, verkreeg men porselein met een craquelé decor. Nadat de Chinezen kennis hadden gemaakt met het Perzische keramiek, werd uit dat land kobalt ingevoerd om het zo beroemde blauw-witte porselein te fabriceren. In de 14e eeuw werd het schilderen van een decor steeds belangrijker dan de tot dan toe meestal sombere soms ook fascinerende glazuur. Dat was een revolutionaire ontwikkeling en het porselein kreeg veel meer aandacht. In Europa was het dunne, glanzende en doorschijnende porselein onbekend tot in de 13e eeuw. De ontdekkingsreiziger Marco Polo maakte er als één van de eerste Europeanen kennis met porseleinen eetgerei. Volgens hem werd de klei uit de omgeving van Jingdezhen dertig tot veertig jaar blootgesteld aan zon, wind en regen en konden de vruchten eerst worden geoogst door de volgende generatie. Hij vergeleek het glanzende eindproduct met de tere roze schelp van een zeeslak (familie van de Cypraeidae), dat in de Italiaanse volksmond porcella (varkentje) werd genoemd en gaf het de naam porcellana. Aanvankelijk werd het porselein via de zijderoute aangevoerd. In Istanboel, in het Topkapi-paleis is een oude en belangwekkende, Chinese collectie te zien. De Chinezen produceerden ook voor de Arabische markt, voorwerpen zonder menselijke afbeeldingen, met een diep soort (Mohammedaans) blauw. In Turkije werd het Iznik-keramiek geproduceerd, steeds meer beïnvloed door het Chinese porselein. Pas toen de Portugezen rond 1517 de zeeroute naar China ontdekten, werd het porselein ook in Europa populair. In 1520 noteerde Albrecht Dürer dat hij in Amsterdam drie stuks "porcolona" had gekregen van een Portugees. Philips II bezat 3.000 stuks Ming porselein en in Lissabon waren in 1585 al tien porseleinwinkels. Geschiedenis van het porselein na 1600 In Nederland werd porselein bekend, toen eind februari 1603 een Portugese kraak werden gekaapt in de Straat van Malakka door admiraal Jacob van Heemskerck, beladen met zijde en 100.000 stuks porselein. Op de veilingen van de VOC brachten het zogenaamde kraakporselein, enkele miljoenen op. Iedereen raakte in de ban van het exotische product. Johannes Isacus Pontanus vermeldt dat in 1611 porselein alledaagse, maar prijzige voorwerpen waren. De term kraakporselein vindt zijn oorsprong in de naam van de Portugese schepen caraques of kraken, waarmee de lading naar Europa werd vervoerd. Het kraakporselein was goedkoop, grof en ongesigneerd. Het was speciaal voor de Europese markt bedoeld en werd vaak door de VOC als ballast onderin het schip geladen. In de Nederlandse huishoudens diende het Chinese porselein aanvankelijk als siervoorwerp. Het werd te pronk gezet op kasten, op speciale richels en op de schoorsteenmantel. De pottenbakkers in Delft werden beïnvloed door het blauw-witte Chinese porselein. Ze gingen over tot het produceren een blauw-wit faience, veelal met Chinese Wanli motieven. Een verzamelnaam voor het Chinees porselein dat speciaal voor de Europese markt werd vervaardigd is Chine de commande. Toen de Nederlanders vanwege een burgeroorlog tussen de Zuidelijke Ming en de Mantsjoes in de periode tussen 1650 en 1680 moeilijk aan Chinees porselein konden komen, bovendien bij de overgave van Fort Zeelandia aan Coxinga in februari 1662 het eiland Formosa moesten opgeven, gingen de VOC-schepen vaker naar Japan om porselein aan te schaffen. De productie van Imari in Arita, niet ver Deshima (Japan) was opgestart door Koreanen rond het jaar 1600. Vanaf 1640 probeerde Japan autarkisch te zijn en stimuleerde de productie van porselein. Vanaf 1646 produceerde Arita ook voor de export naar Europa. In december 1659 liet Zacharias Wagener 40 kisten met porselein naar Batavia verschepen.[3] Wagener had steengoed uit Westerwald als voorbeeld laten gebruiken, toen de goedkeuring uit Amsterdam op zich liet wachten.[4] Er lag nog een grote order gereed van meer dan 21.000 stuks voor Mocha.[5] Het Japanse porselein was evenwel twee keer zo duur als het Chinese porselein. Pas toen de Hollanders, o.a. Johan Nieuhof en Joan van Hoorn de Chinese keizer de nodige eer bezorgden, werd het opnieuw toegestaan met regelmaat de Chinese havens aan te doen. De aanvoerproblemen vanuit China waren voor de pottenbakkers in Delft, Gouda, Harlingen en Makkum niet ongunstig. Pater d' Entrecolles, een Franse Jezuïet heeft de productiemethoden in China in een aantal beroemd geworden brieven beschreven. Na 1730 komt er vooral gekleurd porselein uit China. Bij de ontwikkeling van het procedé hadden de Chinezen hulp van een deskundige Jezuïet. De kleur roze of rood was rond 1685 ontwikkeld door de Leidse, Potsdammer of Hamburgse (?) arts, chemicus of glazenier Andreas Cassius en in het begin van de 18e eeuw geïntroduceerd in China. Ondertussen plaatsten de Nederlanders opdrachten in China, het zogenaamde Chine de commande, gekenmerkt door de Europese taferelen, familiewapens, landschapjes, beroemde personen, provinciewapens, en actuele gebeurtenissen. Daarnaast werd in China Imari porselein besteld, als gevolg van de hoge prijzen in Japan. Cornelis Pronck tekende tussen 1734-1737 en in opdracht van de VOC vijf verschillende Chinese motieven, waaronder de dame met de parasol, de drie doktoren en het prieel. De VOC bemoeide zich steeds minder met de invoer van porselein, en liet de handel over aan particulieren. De uitvinding van Europees porselein De Chinezen wisten het procedé om porselein te maken ongeveer duizend jaar geheim te houden, maar aan het begin van de 18de eeuw lukte het de geoloog Ehrenfried W. von Tschirnhaus, die in Leiden had gestudeerd en in 1687 een brandglas had ontwikkeld om hoge baktemperaturen te verkrijgen, een belangrijk stap in de ontwikkeling van porselein te maken met de hulp van de alchemist Böttger. De beide mannen werden financieel gesteund en onder druk gezet door de beginnende verzamelaar August de Sterke, keurvorst van Saksen om nieuwe en innoverende industrie te ontwikkelen. Op 15 januari 1708 werd een goed procedé ontwikkeld. Op 24 april van dat jaar werd officieel de eerste porseleinfabriek opgericht met behulp van twee Amsterdamse tegelbakkers: Gerrit van Malsem en zijn stiefvader. Op 28 maart 1709 werd de uitvinding van porselein gemeld aan de keurvorst, toen het was gelukt om negen kopieën van Chinees porselein te produceren.[6] In 1710 verhuisde de eerste Europese porseleinfabriek naar een beter te bewaken plek, de Albrechtsburg in Meissen. Böttger produceerde in de beginperiode voornamelijk gepolijst rood of bruin steengoed naar Chinese of Japanse voorbeelden. Aanvankelijk werkte hij met alabaster, later met veldspaat, dat hogere temperaturen verdroeg en een veel doorschijnender product opleverde. Böttger vond veel navolging en kreeg te maken met plagiaat en personeel dat wegliep naar de concurrentie. Het is pas zijn opvolger Johann G. Hörolt gelukt 16 kleuren te ontwikkelen om porselein te beschilderen. Toen werd het mogelijk het steeds meer in zwang rakende Kakiemon porselein te imiteren. Tot die tijd was porselein door thuiswerkers beschilderd, vooral in Augsburg. Veel Duitse vorsten gingen over tot het stichten hun eigen (statusverhogende) porseleinfabriek, want het drinken van thee, koffie of chocolademelk werd in de 18e eeuw steeds meer gemeengoed. Porselein bleek een duur, maar uitermate fraai en geschikt product om uit te drinken. Ook het serviesgoed werd door de veranderende tafelmanieren uitgebreider. Soms liep de zaak uit de hand, zoals bij het Zwanenservies, besteld door Heinrich von Brühl. De porseleinfabrikanten kregen steeds meer te maken met concurrentie uit Engeland, waar rond 1750 een goedkoop procedé om wit aardewerk te produceren werd uitgevonden en de lonen veel lager lagen. Met behulp van twee Engelsen is in 1759 de eerste Hollandse porseleinfabriek opgezet in een oude jeneverstokerij in Weesp. De fabriek was evenwel geen lang leven beschoren. Het productieproces was duur: soms moest de helft van het porselein dat uit de oven kwam worden weggegooid. Het porselein uit Loosdrecht had een wat andere samenstelling, zodat kon worden volstaan met een lagere baktemperatuur. De herkomst van sommige door Joannes de Mol gebruikte grondstoffen en het door hem gebruikte procedé is een nog niet achterhaald geheim. Bekende soorten porselein De meest gebruikte indeling van het Chinese porselein is de chronologische dynastieke indeling. Legendarisch zijn de zogenaamde Ming vazen. In de kunsthandel en voor de verkoop kwam meer de indeling naar kleur in zwang, rond 1860 geïntroduceerd door de schilder en verzamelaar Jules-Ferdinand Jacquemart en de kunsthistoricus Edmond-Frederic Le Blant. Vanwege de uiteenlopende schakeringen is gekleurd porselein door hen in groepen ingedeeld: het zogenaamde famille rose en famille jaune. Het famille verte was al eerder bekend, maar werd geperfectioneerd. Tamelijk zeldzaam is het famille noir. Indrukwekkend is het monochrome porselein, waarvan het ivoorachtige, zogenaamde blanc de chine een voorbeeld is. Liefhebbers onderscheiden ook wucai of vijfkleurenporselein, encre de chine of Jezuïetenporselein, geproduceerd vanaf 1727, melk en bloed, spinazie en eieren, koffie en room, Amsterdams bont, geïmporteerd ofwel niet versierd ofwel blauw-wit versierd Chinees porselein, dat in Amsterdam werd beschilderd of overgeschilderd met gekleurde emails en Eierschaalporselein. Belgisch porselein • vanaf 1751 was er een fabriek te Doornik, die thans echter niet meer bestaat. Momenteel wordt in België geen porselein meer geproduceerd. Ten onrechte schrijft de pers soms over de porseleinfabriek van Royal Boch in La Louvière. Het gaat hier echter over de productie van faïence (aardewerk). Chinees porselein • Song porselein is vanwege de vorm en het fraaie glazuur bekend, zoals het groen-grijze Celadon. • Ming (1368-1644), voornamelijk blauw-wit porselein, soms ook met groen. • Overgangsporselein (1626-1661) heeft een dikkere scherf, helder wit glazuur en is van betere kwaliteit. • Qing porselein (1644-1912) heeft gladde, heldere motieven; er vinden experimenten plaats met glazuur en er wordt teruggegrepen op oude vormen. De Qing periode is onder te verdelen in: • Kangxi porselein (1662-1722), combinatie van blauw, rood of groen • Yongzheng porselein (1723-1735), gebruik van kleuren als roze en aubergine • Qianlong porselein (1736-1795), verfijnd en subtiel. In de 19e eeuw werd steeds witter porselein geproduceerd en qua patroon en vorm is teruggegrepen op eerder geproduceerd porselein of brons. De ovens lagen tijdens de Taiping-opstand stil of werden verwoest. De productie van artistiek porselein kwam opnieuw stil te liggen na 1937 als gevolg van de bezetting van China door Japan. De productie van huishoudporselein is nog steeds omvangrijk. Deens porselein Royal Copenhagen werd gesticht in 1775 en werd snel bekend om zijn exclusieve serviezen. Een uitzonderlijk werk was het maken van het servies Flora Danica dat in 1790 door Denemarken aangeboden werd aan keizerin Catharina de Grote van Rusland. Duits porselein • 1710 - heden: Staatliche Porzellan-Manufaktur Meißen • 1746 - 1796: Höchst Frankfurt am Main • 1747 - heden: Fürstenberg Fürstenberg • 1747 - heden: Nymphenburg München • 1748 - heden: Villeroy & Boch Keramische Werke Saarland • 1751 - heden: Königliche Porzellan-Manufaktur Berlijn • 1755 - Frankenthal Pfalz • 1758 - Ludwigsburg Stuttgart • 1797 - heden: Tettau • 1814 - heden: Hutschenreuther • 1879 - heden: Rosenthal Selb Engels porselein • 1745: Chelsea London • 1751: The Royal Worcester Porcelain Factory • 1763: Josiah Wedgwood & Sons Limited (Stoke-on-Trent) • 1775: Aynsley (Stoke-on-Trent) • Bone china Frans porselein • 1745: Vincennes (Manufacture de Vincennes) • 1753: Sèvres (Manufacture royale de porcelaine de Sèvres) • 1770: L'Ancienne Manufacture Royale de Limoges (Limoges) • 1842 - heden: Haviland (Limoges) • 1849 - heden: Raynaud (Limoges) • 1863 - heden: Bernardaud (Limoges) Hollands porselein • Bertrand Philip, Graaf van Gronsveld Weesper porseleinfabriek (1759-1771).[7] • Joannes de Mol Manufactuur Oud-Loosdrecht (1774-1782) • Friedrich Daeuber Amstel porselein (1784-1801) [8] • Anton Lyncker Haags porselein (1777-1790) Hongaars porselein • 1826: Herend (steeds decors die handbeschilderd zijn) Italiaans porselein • 1743- 1759 Capodimonte, gesticht door Karel van Bourbon. Japans porselein • Arita, meestal blauw-wit.[9] • Imari, met altijd de kleuren blauw, wit, rood en goud • Kakiemon, met altijd een asymmetrisch patroon en meestal een bruin randje Oostenrijks porselein In 1718 begon Claudius Innocentius du Paquier te Wenen een porseleinfabriek, hij had hulp van twee medewerkers uit Meissen. Du Paquier verkocht het bedrijf in 1744 aan de Oostenrijkse staat, tegenwoordig de Porseleinfabriek Augarten Russisch porselein • 1744: Lomonosov. Een moderne selectie staat opgesteld in het Museum Geelvinck-Hinlopen Huis. Taal In de taal wordt porselein ook gebruik als aanduiding voor "waardevol" en/of "duurzaam", zoals: • een porseleinen huwelijk, zie huwelijksverjaardag • een porseleinen jubileum, zie jubileum

De Restauratie


Om dit doel te bereiken, verricht ik, voor zover van toepassing, de volgende handelingen: --Loszittend pigment en glazuur e.d. consolideren -- Gehele object reinigen en ontdoen van oude restauraties -- Scheuren reinigen en consolideren -- Breukvlakken reinigen -- Alle delen van het object verlijmen -- Ontbrekende delen aanvullen -- Aanvullingen retoucheren -- Een UV werende laag over de retouche aanbrengen. Uiteindelijk is het resultaat van de restauratie conform afspraak, d.w.z. of voor het blote oog onzichtbaar of zichtbaar, maar esthetisch verantwoord.

Email


Email (glazuur) Email (ook de Franse schrijfwijze emaille komt voor) is de beschermlaag van gesmolten glas aangebracht op voorwerpen van metaal of aardewerk om deze te beschermen, te isoleren of om deze te versieren. Email bij aardewerk wordt meestal glazuur genoemd. Eigenschappen Het metaal wordt door de emaillaag tegen corrosie beschermd; bij aardewerk wordt de oppervlakte dichter en minder waterdoorlatend, terwijl het ook krasbestendiger wordt. Door toevoeging van gekleurde oxiden wordt de emaillaag ook decoratief. In de elektronica en de elektrotechniek wordt email zeer vaak toegepast om koperdraad van een elektrisch isolerende laag te voorzien. Dit wikkeldraad wordt met name gebruikt om er spoelen van te wikkelen. Bij oververhitting van de spoel kan het email verbranden, waardoor kortsluiting kan ontstaan. Vanouds worden metalen buitenkanten van wasmachines, afwasmachines, wasdrogers, kooktoestellen, koelkasten en dergelijke geëmailleerd. Hier wordt overwegend wit email gebruikt. Bij het petroleumstel en bij pannen werden ook andere kleuren toegepast. Een aantal van deze uitvoeringen is echter verouderd. Omdat de emaillaag minder buigzaam is dan het metaal waarop het is aangebracht, kan het bij onvoorzichtige behandeling barsten en kunnen er zelfs stukken afspringen. Door de Kelten werd email gebruikt in de vervaardiging van sieraden, vaak in bonte kleuren. Aanvankelijk gebruikte men enkel rood, maar vanaf de 1e eeuw v.Chr. ook al blauw en geel. Een bijzondere emailleringstechniek is email cloisonné waarbij vlakken in email omlijst worden met metalen randen; met deze techniek kan men bijzondere figuren maken. In de romaanse kunst werden reliekschrijnen vaak voorzien van deze vorm van emaillering. In de twintigste eeuw werd buitenreclame vaak uitgevoerd in email. Voor het aanbrengen van de glazuurlaag wordt een mengsel van kwarts, kaolien, borax en veldspaat in een oven gesmolten en op het te emailleren voorwerp gebrand. Bij het brouwen van sake ging men over van houten tonnen naar geëmailleerde tanks omdat dit niet alleen hygiënischer was, maar er ook voor zorgde dat er minder sake verloren ging. Tegenwoordig wordt emaille gebruikt voor reclame of bewegwijzeringsborden. Dit omdat emaille kras- en roestbestendig is en tot 50 jaar kleurvast kan zijn.

Kunst


Kunst Kunst is alles wat door een mens is gemaakt en dat tot doel heeft de menselijke zintuigen en geest te prikkelen door originaliteit en/of schoonheid. Dit kan beeldende kunst zijn (schilderijen, tekeningen, beeldhouwwerken, fotografie), maar ook muziek, film, literatuur, theater, dans en bouwkunst. Andere menselijke uitingen, waarvan wordt verondersteld dat ze weinig originaliteit bezitten (eenvoudige schilderijen, Bouquetreeks-romans, exploitatiefilms) of die mensen willen prikkelen om andere redenen (bv. reclame) worden meestal niet tot de kunst gerekend, maar de grens tussen kunst en kitsch (niet-kunst) is niet eenvoudig te trekken. Ook in de civiele techniek spreekt men van kunstwerken, maar hier gaat het in de eerste plaats om functionaliteit, en het doel de menselijke zintuigen en geest te prikkelen door originaliteit en/of schoonheid is secundair. • Kunst - een definitie Kunst is dat wat gemaakt is met de vooropstaande bedoeling (één of meer van) de menselijke zintuigen én de menselijke geest te prikkelen. Toelichting: De kwaliteit van een kunstwerk wordt beoordeeld aan de hand van de aard en mate van de prikkeling die het teweeg brengt. Vaak komt de prikkeling voort uit een combinatie van schoonheid en originaliteit, soms op ondefinieerbare wijze. Maar de sterkte van de prikkeling, de hoeveelheid mensen die er wordt geprikkeld, hoe goed die prikkeling wordt gewaardeerd, en hoeveel effect en invloed de prikkeling heeft of achteraf blijkt te hebben gehad draagt allemaal bij aan 'de mate van kunst'. Tijdloze meesterwerken in de kunst voldoen aan dit alles in hoge mate. Iets wordt níet beschouwd als kunst als het slechts de zintuigen of slechts de geest prikkelt, of primair een ander doel heeft dan dat. Voorbeelden; een afbeelding van een mooie waterval is decoratie, of soms ook kitsch. Het prikkelt alleen de ogen, maar niet de geest. Is de waterval echter op een bijzondere manier of in een originele context in beeld gebracht, zodat de geest ook wordt geprikkeld, dan wordt het gezien als kunst. Een gezellig achtergronddeuntje (muzak) is geen kunst maar emotioneel meeslepende muziek wel. Een succesvolle Hollywood-film wordt wel eens gezien als kunst. Deze prikkelt de zintuigen en de geest van heel veel mensen. Maar als de film verder weinig invloed uitoefent in de filmwereld en snel weer wordt vergeten, is het geen hoogstaande kunst. Daarnaast valt te beredeneren dat sommige films zijn gemaakt met winstoogmerk als primair doel, en worden daardoor ook minder als kunst beschouwd. Sommige kleine films echter trekken misschien minder publiek maar oefenen veel grotere invloed uit op het publiek en/of de filmwereld en worden daardoor meer als kunst gezien. Een architectonisch bouwwerk zoals een brug kan ook kunstzinnige aspecten bevatten, en zelfs als kunstwerk worden beoordeeld. Maar omdat een brug primair een ander doel heeft dan dat, wordt een brug over het algemeen niet beschouwd als kunst. Soms kan iets wat oorspronkelijk niet gemaakt is als kunstwerk tot kunst worden verheven, zoals het blik tomatensoep van Andy Warhol. Het voorwerp verliest op dat moment zijn oorspronkelijke bedoeling en krijgt de nieuwe bedoeling om de menselijke geest te prikkelen, en wordt zo "Kunst". Een algemeen geaccepteerde 'officiële' definitie van kunst bestaat echter niet. Gezien vanuit de maker of de waarnemer Kunst kan bekeken worden vanuit de maker of de waarnemer (in impressionistische zin). Vanuit de maker gezien drukt het de verbeelding of gevoelens van de kunstenaar uit in een scheppende activiteit. Gezien vanuit de waarnemer is kunst een schepping die bij de waarnemer een gevoel of verbeelding oproept, met als doel het voortbrengen van een origineel, zintuiglijk waarneembare (of anderszins voorstelbaar) uiting of product met een bepaalde gevoelswaarde of voorstelling. Meestal doet kunst een beroep op het menselijk gevoel voor esthetiek, maar kan daar soms ook op schokkende wijze afstand van doen. Aan de waarnemer biedt kunst de mogelijkheid om te worden meegenomen uit de dagelijkse realiteit, naar een door die kunstenaar gecreëerde wereld, of anders de mogelijkheid om die dagelijkse realiteit vanuit een ander perspectief te ervaren. Kunst als ambacht Een vroege betekenis van het woord 'kunst' is kunde of ambacht. Mandenmaken kán bijvoorbeeld een kunst zijn, maar ook een ambacht. Als de mandenmaker slechts de bedoeling heeft een mand te maken die groot genoeg is om een paar kilo aardappelen te bevatten, kan niet gezegd worden dat hij een kunstenaar is. Hij is dan wellicht een bekwaam ambachtsman. Maar als hij daarnaast aan die mand een zo fraai mogelijke, unieke, vorm tracht te geven dan is het vrijwel zeker, dat men met een kunstenaar te doen heeft en dat zijn manier van vlechten tot de kunsten gerekend kan worden. Het creëren van opzichzelfstaande werken (dus geen massaproductie) is lang een voorwaarde geweest om iets kunst te noemen. Door moderne technieken is dit sinds de jaren 80 minder belangrijk geworden. Tegenwoordig kennen we kunst in veel verschillende, zelf digitale vormen. Foto's, films, muziek en zelfs bepaalde websites kunnen tegenwoordig kunst genoemd worden. Geschiedenis Zie Kunstgeschiedenis voor het hoofdartikel over dit onderwerp. Kunst met de bedoeling en betekenis zoals we die tegenwoordig kennen is pas ontstaan in de periode van de renaissance. Voor die tijd werd kunst niet gezien als een individuele expressie maar als een middel om vorm te geven aan religieuze symbolen en vertellingen. Kunstenaars zoals beeldhouwers, kunstschilders en houtsnijders, werden tot het einde van de middeleeuwen gezien als een bijzondere elite onder de ambachtslieden. Zij werkten meestal in opdracht van de kerkelijke machthebbers, of rijke families en maakten bijvoorbeeld een beeldhouwwerk of plafondschildering. Het signeren van een kunstwerk als bevestiging van het individuele kunstenaarschap zoals we dat nu kennen was in die tijd ongebruikelijk. De oudste vormen van kunst dateren van 22.000 voor Christus en hadden waarschijnlijk een sterk religieuze of symbolische betekenis en werden bijvoorbeeld gebruikt binnen de context van een ritueel. Een voorbeeld is de Venus van Willendorf. Latere vormen van kunst (muziek, dans, theater, en tekenen/schilderen) werden gemaakt ter ere van een bijzondere gebeurtenis, zoals een huwelijk of een troonopvolging. Het waardeoordeel van de toeschouwer Eén kenmerk hebben alle kunstwerken gemeen, of het nu een schilderij is, een theaterstuk of literatuur: kunst bezit een bepaald patroon, een bepaald ontwerp. De kunstenaar heeft het op zorgvuldige wijze gecomponeerd. Toch hoeft dat niet altijd zo te lijken. Kunst wordt pas kunst op het moment dat het wordt waargenomen; de toeschouwer (luisteraar, voeler, proever, etc.) die de kunst waarneemt kan het mooi of lelijk vinden, beide kunnen het doel van de kunstenaar zijn geweest. De manier waarop de toeschouwer het kunstwerk ontvangt en welke reactie het uitlokt bij critici noemen we ook de receptie. Een kunstenaar legt in zijn werk vaak zijn diepste gevoelens van vreugde, verdriet, vrees, mening of godsvrucht neer. Dat soort kunst spreekt een eigen taal, die verstaan kan worden door degene, die het kunstwerk ziet of er naar luistert. Toch hoeft het geen doel van een kunstwerk te zijn dat de toeschouwer daadwerkelijk de persoonlijke expressie ziet die de kunstenaar ermee "vertelt". Veel moderne kunst is voor het publiek moeilijk te begrijpen. Dat komt doordat de onzekerheid en nieuwheid van deze tijd wordt verbeeld in de kunst, en contemporaine interpretatie is traditioneel erg subjectief. Abstractie in de kunst Wie naar beneden kijkt uit een vliegtuig, dat kilometers hoog door het luchtruim suist, ziet een kleurig patroon van het landschap: het lijkt in niets op schilderijen met een direct herkenbare voorstelling (bijvoorbeeld een schilderij van een bos). Het beeld is door het ongewone standpunt van de toeschouwer veranderd in een abstract patroon. Veel moderne kunstenaars (schilders, beeldhouwers, tekenaars, fotografen, kunstwevers, enz.) hebben zich tot het abstracte patroon gewend. Ze zijn afgestapt van de traditionele afbeelding van de werkelijkheid en zoeken hun motieven in de werkelijkheid zoals zij die onder bepaalde omstandigheden zien of zoals zij deze willen gebruiken als aanleiding om hun eigen gevoelens tot uitdrukking te brengen. Abstracte kunst is niet gemakkelijker te maken dan traditionele, realistische kunst. Goede abstracte werken zijn meestal zeer zorgvuldig overwogen en gecomponeerd en veel bekende abstracte schilders hebben jarenlang naar de natuur gewerkt, voordat ze zich aan abstracties waagden. In Australië maken de Aboriginals al duizenden jaren abstracte kunst. Maar de abstracte kunst in de westerse kunstgeschiedenis ontstaat pas aan het begin van de 20e eeuw. Belangrijke kunstenaars zoals Cézanne, Picasso en Kandinsky hebben bijgedragen aan de abstractie in de schilderkunst. De belangrijkste Nederlandse abstracte kunstenaar is Piet Mondriaan. Magisch realisme In de abstracte kunst zijn talloze richtingen. Sommige kunstenaars werken volgens een methode, die we halfabstract of geabstraheerd zouden kunnen noemen. In een geabstraheerd schilderij zijn mensen, bomen, gezichten en voorwerpen nog wel te herkennen, maar ze zijn op alle mogelijke manieren vervormd of uit hun verband gerukt (magisch realisme). Dat abstracte kunst juist in deze tijd is ontstaan, is eigenlijk niet zo vreemd. Kunstenaars reageren meestal op het karakter en de geest van een bepaalde tijd. Onze tijd is een overgangstijd; oude ideeën tuimelen omver en gevestigde overtuigingen worden door allerlei oorzaken aan het wankelen gebracht en dat alles komt op een of andere wijze tot uitdrukking in verscheidene moderne kunstvormen; in de schilderkunst evengoed als in het werk van moderne beeldhouwers en in de composities van hedendaagse componisten en liedjesschrijvers. En zelfs toegepaste kunsten (zoals het ontwerpen en uitvoeren van meubels en van gebruiksvoorwerpen) kunnen zich niet helemaal aan de invloed van de abstracte kunst onttrekken en leveren werk af, dat vaak sterk afwijkt van het traditionele. Toegepaste kunst De moderne toegepaste kunst (architectuur, binnenhuisarchitectuur, industriële vormgeving, fotografie, grafische vormgeving en modevormgeving) wordt tegenwoordig door tal van factoren beïnvloed. Kunstenaars, die zich met deze kunstvormen bezighouden, besteden bijvoorbeeld bijzonder veel aandacht aan de bruikbaarheid van hun producten. Ze streven, om een voorbeeld te noemen, naar een zeer mooie stoel – maar zorgen er tegelijkertijd voor, dat die stoel uiterst gemakkelijk zit en dat de bruikbaarheid ervan niet wordt opgeofferd aan de schoonheid. Bovendien houden zij rekening met allerlei ontdekkingen van de moderne wetenschap. Sinds ze bijvoorbeeld weten dat blauwe kleuren de meeste mensen een gevoel van kilheid geven en rode en gele kleuren een gevoel van warmte, zijn ze in staat voor allerlei omstandigheden een betere kleurcombinatie te ontwerpen. Kunstvormen Binnen de kunst zijn verschillende stijlperioden en ook veel verschillende schilderstijlen. Zie de Europese kunststromingen. Beeldende kunst Schilderkunst en Tekenkunst Zie ook het artikel Schilderkunst Zie ook het artikel Tekenkunst Al de vroegste mens gebruikte kleuren om in rotswanden afbeeldingen te maken van de wereld om hem heen. In later tijden is de teken- en schilderkunst geëvolueerd tot een ontzettend brede kunstvorm, met uitingen in vele vormen. Van figuratief (“je ziet wat het is”) tot abstract (“je voelt en ervaart wat het zou kunnen zijn”). Uit de schilderkunst zijn andere kunstvormen ontstaan, waartoe bijvoorbeeld de mengvorm van tekening en tekst, de strip, behoort. Veel andere kunstvormen zijn terug te voeren op de schilderkunst: borduurwerk is bijvoorbeeld een vorm die in plaats van verf garen neemt. Fotografie Zie ook het artikel Fotografie Grafiek Zie ook het artikel Grafiek (kunstvorm) Beeldhouwkunst Zie ook het artikel Beeldhouwkunst De beeldhouwkunst omvat een grote verscheidenheid aan kunstuitingen, van niet alleen praktische gebruiksvoorwerpen als potten en bekers tot installaties op stadspleinen en langs snelwegen, die soms zelfs kunnen bewegen. Tussen beeldhouwkunst en schilderkunst is een grote band te zien. Ook hier is sprake van figuratieve kunst en abstracte kunst. Een groot verschil is dat beeldhouwkunst ook in praktische voorwerpen terug te vinden is. Moderne media Onder moderne media vallen kunstvormen als videokunst, audiovisuele installaties, digitale media. Ook wel multimedia of nieuwe media genoemd. Zie ook het artikel Mediakunst Theater Zie ook het artikel Theater (kunstvorm) Door zijn lichaam en stem in te zetten in het uitbeelden van de wereld om hem heen èn de wereld van de goden maakte de mens al een vroege vorm van theater. Tegelijkertijd ontstonden muziek en dans als kunstvormen, die vaak samengaan. Door de oude Grieken werd het theater tot volwassen kunstvorm gebracht, en nadat de Romeinen het van de Grieken overnamen, en later lieten doodbloeden, ontstonden in de vroege Middeleeuwen weer nieuwe vormen van theater. Eerst in de kerk, later voor de deur van de kerk, en nog later ver van de kerk vandaan. Tegenwoordig wordt theater vooral op speciaal daarvoor gemaakte locaties gebracht. Ook bij deze kunst wordt verschil gemaakt tussen realistisch en abstract theater. • Kleinkunst • film Muziek Zie ook het artikel Muziek Net als theater vindt muziek zijn oorsprong in de riten van primitieve volken. Langzaam leerde de mens om van de materialen om zich heen instrumenten te maken, die elk een ander geluid voortbrachten. Van holle boomstam tot drumstel, van rietje tot klarinet (nog steeds met rietje!). Muziek heeft een enorme reikwijdte: de klassieke componisten die harmonisch componeerden, de trommels van de primitieve volkeren, de basdreun van moderne dance, de moderne klassieke componisten die atonale werken neerzetten. Dans Zie ook het artikel Dans Ook in dans is er de figuratieve en de abstracte vorm. Het ontstaan van dans gaat gelijk op met het ontstaan van het theater, waarbij je kunt zeggen dat er in de eerste vormen nauwelijks onderscheidt te maken is tussen dans en theater. Ook nu gebruiken dans en theater veel dezelfde manieren van opbouw van een werk, waarbij tegenwoordig zelfs vaak tekst te horen is in dans. Filmkunst Zie ook het artikel film De filmkunst of cinematografie is een kunstvorm die niet altijd tot de kunst wordt gerekend omdat het amusement zou zijn en derhalve tot de populaire (cultuur) hoort. De films die niet alleen zijn gemaakt voor amusement, maar die de toeschouwer tot denken aanzetten en meer doen dan alleen vermaken worden wel tot de kunst gerekend. Zulke films worden ook wel arthouse-films genoemd. Deze films worden over het algemeen niet vertoond in een gewone grote bioscoop. maar in de wat kleinere arthouse-bioscopen. Architectuur Zie ook het artikel Architectuur Zie ook het artikel Papierarchitectuur Architectuur is de kunst en wetenschap van het ontwerpen van de gebouwde omgeving, inclusief landschappen, steden, gebouwen en interieurs. Soms wordt architectuur ook 'bouwkunst' genoemd. Mengkunst (Cross-over) Het combineren van verschillende kunstvormen en disciplines noemt men soms cross-over. Ook het combineren van verschillende uitingen binnen een bepaalde kunstvorm (hiphop met klassieke muziek bijvoorbeeld) wordt cross-over genoemd. Al vanaf het begin van de kunsten worden er uitwisselingen en mengvormen gemaakt. Voorbeelden van mengkunst vindt men bij De Groep, die enerzijds figuratieve en abstracte kunst wilde combineren en anderzijds teken-/schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur. Een andere naam voor cross-over mengkunst is: eclecticisme. Dat staat voor het streven verschillende stijlelementen te versmelten tot iets nieuws. Literatuur Zie ook het artikel Literatuur Strip Zie ook het artikel Stripverhaal Het stripverhaal is een gecombineerde kunstvorm, waarbij tekst en grafiek samen een geheel vormen. Kunstuitleen In veel grote steden zijn organisaties voor kunstuitleen gevestigd. Soms noemt men een kunstuitleen ook een artotheek. Dit soort instelling is vergelijkbaar met een bibliotheek maar men leent er kunstwerken in plaats van boeken. Kunstliefhebbers kunnen er lid van worden en één of meerdere kunstwerken lenen. Soms wordt tijdens het lidmaatschap een saldo opgebouwd waarmee men een kunstwerk naar keuze kan aankopen. Vaak organiseren artotheken wisselende tentoonstellingen, die aansluiten bij de doelstelling een breed publiek de gelegenheid te geven met de hedendaagse kunst in aanraking te komen. Soms worden opdrachten gegeven aan kunstenaars om een werk in oplage te vervaardigen, dat daarna voor de leden van de kunstuitleen tegen een gereduceerde prijs te koop is. Instellingen voor kunstuitleen proberen de drempel te verlagen, die sommige mensen ervaren bij het betreden van een galerie. Daarnaast kan verkoop en verhuur via de kunstuitleen een bron van inkomsten zijn voor kunstenaars. Kunstevenement Een kunstevenement is een evenement met als hoofdattractie het kijken naar beeldende kunst, bijvoorbeeld een kunstbeurs of een biënnale. Moderne tijden Kunstenaars en galerieën maken steeds vaker gebruik van internet om kunst te ontsluiten voor het grote publiek. Er zijn kunstenaars die een e-museum hebben gemaakt waar hun werken te zien zijn (bijvoorbeeld E-museum Marinus Heijnes), streekmusea die alleen op internet te vinden zijn (bijvoorbeeld Museum Nunspeet) en sites van kunsthandelaren met een schat aan informatie over vele kunstenaars. Op deze manier zijn veel werken van kunstenaars direct door het publiek overal ter wereld te bewonderen.

Zoektermen


A. Jonker, A.L. van Gool, Aardappelschaal, Aardbeikop, Aardewerk en bloempottenfabriek De Ysel, Aardewerk, Aardewerkfabriek Amstelhoek, Aardewerkfabriek De Kat, Aardewerkfabriek de Rijn, Aardewerkfabriek Katwijk, Aardewerkfabriek Zaalberg, ADCO (Groninger Steenfabriek NV), Afrika, Airbrush, Alabaster, Alabastron, Albarello, Albast, Alboth & Kaiser, Altaarvaas, Amerika, Amfoor, Amfora, Amphora, Amsterdamse school, Andree, Antiek, Antike, Antiques, Antiquitäten, Antiquiteiten, Antiquities, Applied / industrial art, Arabia, Arabie, Armorial, Arnhemsche Fayencefabriek, Arnhemse Fayencefabriek NV, Art Deco, Art Nouveau, Art, Arts and crafts, Arzberg, Asbak, Asbakhouder, Attisch, Aziatisch, Azie, Azteek, Baardmankruik, Bareuther, Barnsteen, Basin, Bedsteen, Bedstoof, Beeld, Beeldmerk, Beker, Bekervaas, Bert Nienhuis, Beschadigd, Beschadiging, Beschilderd, Beslagkom, Beslagpot, Bibelot, Bierpul, Biscuit, BKI, Blaker, Blaker, Bloch & Co., Bloemendecor, Bloemenvaas, Bloempot, Bloemschaal, Blokvaas, Blue, Boekenstandaard, Boeotisch, Boerenkom, Bohemia, Bokaal, Bollenschaal, Bolvaas, Bonbonschaal, Bonbonstel, Booth, Bord, Borstbeeld, Boterbakje, Botervloot, Bottle, Bourdalou, Bowl, Bowlglas, Bowlpot, Bowlschaal, Braadslede, Brander, Breuk, Breukvlakken, Broedschotel, Broodmand, Broodschaal, Bruin, Brush rest, Buik, Buste, Butger, C.J. van der hoef, Cactuspot, Cactusschaal, Cakeschaal, Carduus, Carduusaardewerk, Celadon, Celadon, Cerabel, Ceramics, Champagne, Chang-sha, Chi-chou, Chi-chou, China(ware), China, Chinees, Chinese, Chíng, Chocoladeketel, Chodziez, Christoffel Agterberg, Chun, Cilindervaas, Coalport, Colenbrander, Colour fill, Comfoor, Compote schaal, Concordia, Confiture pot, Conserveren, Consolideren, Corean, Couvert, Cover, Crisisgoed, Cup, Cup-stand, Cylindervaas, D.A.G., Dansfiguur, De Bazal, De Marmot, De Olde Kruyk, De porceleyne fles, De Sphinx, De Star, De Stijl, De Zwing, Décor, Decoratie, Dejeuner, Dekschaal, Deksel, Dekselknop, Dekselkom, Dekselkruik, Dekselpan, Dekselpot, Dekselvaas, Delfts blauw, Delftware, Design, Dessert, Dienblad, Diepe borden, Dierfiguur, Diner, Dirk Abraham Goedewaagen, Dish, Distelafdeling, Doofpot, Doopbekken, Doopvont, Doorroker, Doos, Dortsche Kunstpotterij, Drievoet, Drijfschaal, Drinkhoorn, Drinkservies, Drukvorm, Dubbelemmer, Duits, Dynastie, Dynasty, E. Estie, Earthenware, Edelstein, Edmond, Ei, Eierdop, Eierschaal, Eierschaal-porselein, Eierschotel, Eisbecher, Email, Emaille, Emailware, Enamel, Engels, Epiag (Altrohlau), Epiag (Elbogen), Eschenbach, ESKAF Eerste Steenwijker Kunst aardewerk fabriek), Esthetisch, Etagere, Europees, Evenveeltjespan, Ewer, Fayence en tegelfabriek Holland, Fayence en tegelfabriek Westraven, Fayence, Figure, Figuur, Flacon, Flask, Fles, Flesvaas, Frans, Fruitschaal, Fruittest, G.M.E. Bellefroid, Ganzenvereegger, Gatenpot, Gatenpot, Gebakbord, Gebakschaal, Gebakstel, Gebroken, Gebruiksaardewerk, Gebruiksgoed, Geglazuurd, Gekleurde aanvulling, Gelegenheidsaardewerk, Gemberpot, Gemberpot, Geurvaas, Gieter, Gips, Gladioolvaas, Glas, Glass, Glasservies, Glazen, Glazuur, Goblet, Goedewaagen, Goud, Gouda, Goudmozaiek, Gouds plateel, Grabbelbak, , Grabbelbakje, Grafurn, Grafvaas, Greenware, Grieks, Grindley, Groenteschaal, Gubbio, H.J. Jansen van Galen, Haagsche Plateelbakkerij Rozenburg, Haas & Czjek, Hals, Halsvaas, Han, Handbeschilderd, Handel, Handle, Handvat, Handwarmer, Haviland (Johann), Head-rest, Heft, Heinrich, Hengselmand, Heraldiek, Heraldisch, Herend, Herstel, Herstellen, Hertel, Hoek, Het potteke, Horletoet, Hu vaas, Hutschenreuther, Hydria, Iers, IJscoupe, IJzer, Imari, Inca, Inkthouder, Inmaakpot, Irdenware, Ivoor, Jaap Gidding, Jade, Jäger, Jampot, Jan van Breukelen, Japan, Jar, Jardiniere, Jenevervaatje, Johannes Weiland, Johnson brothers, Jug, Jugenstil, Jurriaan Kok, Juskom, Kaarsenhouder, Kaasstolp, Kaasvorm, Kachel, Kachelopzet, Kachelpan, Kachelpan, Kahla, Kaj Franck, Kalebassenfles, Kalkaardewerk, Kamerpot, Kan, Kandelaar, Karaf, Karin, Karn, Karntoestel, Karnton, Kasimir Malevich, Kaststel, Kastvaas, Kelk, Kendi, Kennemer pottenbakkerij, Kennemer potterij, Kennemer Potterij, Kennemer Potterij, Keramiek, Keramik, Keramische industrie Fris, Khendi, Kinderservies, Kleijn, Klok, Klokkrater, Kneedkan, Koekdoos, Koekschaal, Koektrommel, Koeler, Koeler, Koffiekop, Koffiepot, Koffieservies, Kom, Komfoor, Königszelt, Kooflijst,, Kookpot, Kop, Koper, Koreaans, Korean, Koudlak, KPM Berlijn, KPM Waldenburg, Kraagvaas, Kristal, Kroes, Kroouchter, Kruidenkom, Kruidenschaal, Kruik, Kruik, Kuan, Kuikendrinkbak, Kunst, Kunstaardewerkfabriek Barras, Kunstaardewerkfabriek Mobach, Kunstaardewerkfabriek Regina, Kunsthandwerk, Kunstnijverheid, Kunstvoorwerpen, Kustaardewerkfabriek St. Lukas, Kwispedoor, Kylix, Lak, Lamp, Lampenkap, Lampenvoet, Lampetkan, Lampstand, Lauweriks, Lead, Leerdam, Lepel, Lepelbeker, Liao, Liao, Lijst, Likeurbeker, Lollepot, Lood, Lotus, Lung, Majolica, Makkum, Mand, Marble, Marion, Marmer, Marmor, Marokkaans, Masker, Matglazuur, Maya, MCP, Melkbeker, Melkkan, Menage, Mending, Mepal servies, , Mergboor, Mes, Messeegger, Mexico, Ming, Mobachvaas, Mokkakan, Mokkapot, Mokkaservies, Mokkaset, Mongol, Mongool, Monniksbeker, Monochrome, Monochroom, Mosa, Mosterdstel, Moulded brick, Mozaiek, Muzikant, Mykeens, MZ, Napels, Natuursteen, Nederland, Nederrijns, Nest schaal, Nieuw Rozenburg, Nieuwe kunst, Nieuwe zakelijkheid, Norden, Noritake, OHME, Olie en azijnstel, Oliefles, Olielamp, Ondersteek, Ondersteek, Onderzetter, Ontbijt, Onverglaasd, Oordrinkbeker, Oorkan, Oorkom, Oorpot, Oorschaal, Oorvaas, Orchideevaas, Orient, Ornament, Ornamenten, Otto van Tussenbroek, Pan, Papkom, Parfumfles, Particulier, Patentvaas, Pauwenmotief, Pear-shaped, Peervormig, Pelike, Penneegger, Peperbus, Pepermolen, Peperstel, Peperstrooier, Perenpot, Perklijst, Perzie, Perzisch, Petrus Regout, Piepzak, Pigment, Pijphouder, Pindastel, Pirkenhammer, Pispot, Plantenbak, Plantenpot, Plaquette, Plaster, Plat bord, Plate, Plateel, Plateelbakkerij De Distel, Plateelbakkerij de Rozenboom, Plateelbakkerij Delft NV (P.B.D.), Plateelbakkerij en Pijpenfabriek Zenith, Plateelbakkerij Flora, Plateelbakkerij Haga, Plateelbakkerij L. Huisenga, Plateelbakkerij RAM, Plateelbakkerij Zuid Holland (PZH), Plateelfabriek Gelria, Plateelfabriek Ivora, Plateelfabriek Purmerend, Plateelfabriek Schoonhoven, Plazuid (Koninklijke plateelbakkerij zuid Holland), Poffertjespan, Pokal, Polijsten, Polychrome, Polychroom, Pop, Poppenkast, Porcelain, Porselein, Porseleinfabriek De Kroon, Porzellan, Pot, Potpourri-vaas, Pottenbakken, Pottenbakker, Pottenbakkerij ’t vuur, Pottenbakkerij de vier paddestoelen, Pottenbakkerij Kohler, Pottenbakkerij Nagtegaal, Potter, Potterie Kennemerland, Potterij Kennemerland, Potterij Rembrandt, Pottery, Presenteerschaal, Pre-Táng, Puddingkom, Puddingschaal, Puddingvorm, Pul, Puls, Raynaud, Reclame, Reclamebord, Reconstructie, Regina, Regina, Regout, Reinigen, Reliefplaat, Repair, Reparatie, Reparation, Repareren, Reparieren, Restauratie, Restauration, Restaurator, Restaureren, Restaurieren, Restaurierung, Restoration, Retouche, Retoucheren, Reukflacon, Reuzelpot, Rijstkom, Ringeloorkruik, Romertopf, Rookstel, Roompot, Roompot, Rosenthal, Royal Albert, Royal Boch, Royal Doulton, Rozenpot, Rozet, Sardinebakje, Sarkofaag, Satsuma, Sauskom, Schaal, Schalen, Scheerbekken, Scheerkom, Schenkkan, Schenksneb, Scherf, Scherzer, Scheuren, Schilderijlijst, Schlaggenwald, Schlemmertopf, Schönwald, Schotel, Schouwwang, Schumann, Schuttersplaat, Sculptuur, Sculptuur, Servetring, Servies, Sieraardewerk, Siergoed, Sierkeramiek Russel, Sierkunst atelier Ravelli, Sierlijst, Sierschotel, Siertegel, Sigarettenkoker, Sirooppot, Skyphos, Société Ceramique Maastricht, Societe Ceramique, Soepbord, Soepkom, Soeplepel, Soepterrine, Spaans, Spaarpot, Specerijenstrooier, Speelgoed, Spoelkom, Spucknapf, Spuwpotje, Stamnos, Stapelservies, Steek, Steelpan, Steengoed, Steingut, Steinzeug, Stipbak, Stolp, Stoneware, Stoof, Stoofpot, Strooier, Stroopkan, Suikerpot, Suikerschep, Sung, Tabakspijp, Tabakspot, Tafelblad, Tafelkandelaar, Tafelservies, Tafelstel, Tang paard, Tang, Tasse, Tazza, Teapot, Teedose, Tegel en Fayencefabriek Amphora, Tegel, Tegelbakkerij Lotus, Tegelbakkerij Lotus, Tegelplaat, Tegeltableau, Teller, Terraco, Terracotta, Terrine, Test, Tête a tête, Tharaud, Thea, Theebus, Thee-ei, Theekop, Theelepel, Theelicht, Theepot, Theeservies, Theo Vos, Thomas Tielsch, Tin, Ting, Toiletdoos, Toiletdoos, Wijntrechter, Tolteek, Tomb, Töpferin, Torso, Trade, Trechter, Trechterbeker, Trekpot, Trembleuse, Tripod, Tuitpot, Tulbandvorm, Tulpenvaas, Turks, Uitlekschaal, Unica, Urbino, Urn, Vaas, Vaatwerk, Vakvereniging, Valckenier, Van der Hoef, VANK, Vase, Veldfles, Velsen, Vergiet, Vetlampje, Vetpot, Victoriaans, Villeroy & Boch, Vingerkom, Visschaal, Visschotel, Vissenbord, Vissenkom, Vleesschaal, Voederbak, Voetstoof, Volutenkrater, Voorraadglas, Voorraadpot, Vork, Vruchtentest, Vuurstolp, Vuurtest, Vuurtest, W.C. Brouwer, Walbrzych, Ware, Waterpot, Watrestel, Wed. N.S.A. Brantjes en Co., Wedgwood Wenen, Wedgwood, White, Wierrook, Wijn, Wijn, Wijnglas, Wijwaterbak, Wijwaterbakje, Wijwaterkan, Wijwaterkom, Wijzerplaat, Willem de Vries, Willem van Norden, Wine, Wit, Wood & Sons, Yuan, Zeepkom, Zeepkop, Zeeppot, Zeven-oren-pot, Zilver, Zoutbus, Zoutstel, Zoutstrooier, Zoutvaatje, Zuid-Amerikaans, Zultvorm, Zwart,

Glas


Glas Disambig-dark.svg Zie Glas (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Glas. Het licht wordt gebroken door het glas Glas is een amorfe (niet-kristallijne) vaste stof. De bekendste verschijningsvorm is het kleurloze glas, zoals dat voor vensters en drinkglazen wordt gebruikt. Dit glas bestaat voornamelijk uit de stof silica of siliciumdioxide (SiO2). Hoewel glas geen kristalstructuur heeft, heeft het met veel kristallen gemeen dat het doorzichtig is en het licht breekt. Dit leidt tot verwarring in de naamgeving. Er bestaat zelfs een glassoort die kristalglas of kortweg kristal wordt genoemd. Deze benamingen zijn onjuist: kristalglas spreekt zichzelf tegen en kristal is het beslist niet. De uitspraak "Dit is geen glas, het is kristal" klinkt wetenschappelijk correct, want glas is inderdaad geen kristal. Juister is echter: "Dit is glas, maar geen gewoon glas, want het is kristalglas." In sommige talen, zoals Spaans, is cristal (naast vidrio) een woord voor gewoon glas. Inhoud [verbergen] 1 Glasovergang 2 Soorten glas 2.1 Kwartsglas 2.2 Bergkristal 2.3 Commercieel glas 3 Fabricage 3.1 Geblazen glas 3.2 Getrokken glas 3.3 Floatglas 4 Bewerkingsmogelijkheden 5 Andere soorten glas 6 Eigenschappen van glazen 7 Vloeistof of vaste stof 8 Zie ook 9 Externe link [bewerken] Glasovergang Wanneer een vloeistof voldoende snel wordt afgekoeld, ontbreekt vaak de mogelijkheid om te kristalliseren, doordat het materiaal de gelegenheid niet krijgt om groeikernen voor de kristalgroei te vormen. Bij een temperatuur die meestal veel lager ligt dan het kristallijne smeltpunt ondergaat het materiaal dan een ander soort stollingsproces: een glasovergang. Bij beide vormen van stolling (glaspunt en vriespunt) gaan veel vrijheidsgraden van beweging verloren en kunnen de atomen van het materiaal niet meer vrij bewegen, maar alleen nog om een evenwichtspunt trillen. Het verschil tussen de twee overgangen is dat bij het vriespunt ook een ordening van de structurele eenheden van de stof plaatsvindt, wat bij een glasovergang achterwege blijft. Onder het glaspunt is het systeem een amorfe vaste stof, erboven een onderkoelde vloeistof. [bewerken] Soorten glas Chemische structuur SiO2. NB. Ieder zuurstofatoom is verbonden aan 2 Si-atomen; en telt daarom maar voor de helft mee De bekendste vorm van glas, in gebruik voor ramen, flessen, (drink)glazen, vazen e.d. is een mengsel van silicaten. De belangrijkste grondstof daarvoor is kwarts of silica (SiO2) meestal gewonnen uit zand. Silica is een zuur oxide, dat met water kiezelzuur kan vormen. [bewerken] Kwartsglas In pure vorm kan van silica ook een glas gemaakt worden: kwartsglas. Dit materiaal is echter moeilijk te bewerken; het heeft bijvoorbeeld een hoog en vrij abrupt smeltpunt (boven 1700 °C). Kwartsglas wordt alleen voor speciale doeleinden toegepast, bijvoorbeeld in cuvetten die UV-licht doorlaten of voor ampullen die hoge temperaturen moeten kunnen doorstaan. Het is echter naar verhouding duur. De verwachting is dat dat binnenkort echter verandert omdat er een nieuwe manier is gevonden om kwartsglas te bewerken namelijk door middel van een sterke laser die relatief goedkoop is.[bron?] Silica.svg kwartsglas (chemische structuur) het vierde zuurstofatoom ligt steeds boven het siliciumatoom. [bewerken] Bergkristal Net als kwartsglas bestaat bergkristal uit zuiver silica. Door de lange tijd die het kristalrooster heeft gekregen om zich te vormen, is het (quasi) volmaakt gekristalliseerd: het rooster bestaat uit regelmatige SiO4-teträeders, die in een driedimensionaal patroon gerangschikt zijn. Het is daarmee een kristallijne vaste stof en niet een glas. Van buitenaf is dat verschil niet goed te zien, maar in het Röntgendiffractiepatroon is het verschil erg groot. SiO² Quartz.svg bergkristal (chemische structuur); het vierde zuurstofatoom ligt steeds boven het siliciumatoom. [bewerken] Commercieel glas Wegens de hoge verwerkingstemperatuur (en de bijhorende hoge verwerkingskosten), voegt men bij commerciële glassoorten verzachters toe als CaCO3 en Na2CO3 (die bij het smelten overgaan in resp. CaO en Na2O onder vorming van kooldioxide). De vermindering van het aantal dwarsverbindingen maakt het glas zachter en vermindert de glastemperatuur. Gewoon glas bestaat uit slechts 70% SiO2, en veel zachtmakers (10% CaO, 15% Na2O) en wordt verwerkt op 700 °C. Wegens zijn samenstelling noemt men het ook natronkalkglas. Het heeft een hoge thermische uitzetting, en is daardoor niet geschikt voor laboratoriumtoepassingen. Daar gebruikt men een glas met een bijzondere samenstelling (Pyrex) of het veel duurdere kwartsglas. Die materialen zijn goed tegen snelle temperatuursveranderingen opgewassen. Men verdeelt commercieel glas in 3 grote groepen: het vlakglas (ramen, autoruiten, spiegelglas, draadglas ...) het verpakkingsglas (flessen, (drink)glazen, vazen,gloeilampen,...) het technisch glas (glasvezel, glaswol, ...) Voor het produceren van verpakkingsglas (drinkglazen, vazen, flessen e.d.) worden de volgende drie methodes gebruikt in glasfabrieken: Blaas/blaasproductie Pers/blaasproductie Persproductie Om deze holglasproducten de juiste vorm te geven worden glasvormen of glasmoulds gebruikt. [bewerken] Fabricage Het meeste glas wordt gefabriceerd door aan het zure SiO2 basische verbindingen, zoals natrium- of kaliumhoudende carbonaten, toe te voegen. Ook zware metalen zoals lood (in kristalglas) worden toegepast. Glas is chemisch gezien dus een mengsel van silicaten Na-K-Ca-Mg-...-Si-O. Afhankelijk van de precieze samenstelling heeft het glas verschillende eigenschappen, bijvoorbeeld een ander smeltpunt, een andere brekingsindex, dispersie of een andere uitzettingscoëfficiënt. Omdat bij verwarming een glazen voorwerp door uitzetting kan springen, maakt men glas met een speciale samenstelling (Pyrex), waar dit soort problemen minimaal zijn. Voor toepassingen in de optica, met name voor speciaal gecorrigeerde objectieven, worden glassoorten met zeldzame aarden of fluoriet gebruikt die een extreem lage dispersie hebben. [bewerken] Geblazen glas Blazers laten een bol van glas verwarmen aan het einde van een riet (holle metalen buis), en blazen in dit riet om het glas te laten uitzetten en aldus een bolvormig element uit glas te bekomen. Naderhand rekt men deze bolvorm uit (tot een cilindervorm), en snijdt men die cilinder overlangs. Dan kan men de cilinder platdrukken, en heeft men een plat glasoppervlak. Deze methode wordt ook gebruikt voor de massaproductie van flessen, bokalen en lampen in geautomatiseerde glasfabrieken. glasplaat door glastrekken Het glas wordt geblazen bij een temperatuur van 700 °C. Nadien wordt het glas in een andere oven geplaatst van 500 °C. Dit gebeurt om het glas niet te snel te laten afkoelen waardoor het zou springen. [bewerken] Getrokken glas Men maakt een bad van gesmolten glas, plaatst een (rechte) staaf horizontaal in de vloeistof, en trekt deze staaf omhoog. Het glas is zo visceus dat deze de staaf zal meevolgen. Op deze manier wordt snel een plat glasoppervlak verkregen, hoewel deze niet perfect is. Oude ramen zijn vaak nog opgebouwd uit platen getrokken glas, dit is te zien door de zogenaamde trekstrepen: het glas is plaatselijk dikker en dunner, waardoor de ruit een vertekend beeld geeft. In Nederland werd in 1979 de laatste fabriek volgens dit procedé gesloten. [bewerken] Floatglas Deze methode werd in 1952 uitgevonden door Pilkington: men giet het gesmolten glas bovenop een bad van gesmolten tin. Het glas is lichter dan het tin, waardoor het er bovenop blijft drijven. Gesmolten metalen hebben een perfect vlak oppervlak en op deze manier is ook (de onderkant van) het glas perfect vlak. De oppervlaktespanning van het glas zelf zorgt voor een perfect gladde bovenkant. De floatglasmethode wordt vooral gebruikt voor het maken van grote glasplaten (6,0 x 3,21 m). Het wordt toegepast in een continu gietproces: aan één kant wordt het vloeibare glas op het vloeibare tin gegoten, aan de andere kant wordt de gestolde glasplaat verder afgekoeld en in gewenste afmetingen gesneden. Men kan naar wens de dikte van de glasplaat variëren tussen 0,4 en 25 mm. Momenteel wordt zo'n 90% van alle glas volgens deze methode gemaakt. De enige Nederlandse floatglasfabriek staat in Tiel en produceert per dag 50.000 m² glas, teruggerekend naar een dikte van 4 mm. België heeft meerdere floatglasfabrieken: een in Mol in de Kempen (40.000 m² per dag), vier in Moustier-sur-Sambre (280.000 m² per dag) en twee in Jemeppe-sur-Sambre (120.000 m² per dag), alles teruggerekend naar 4 mm dikte. [bewerken] Bewerkingsmogelijkheden frezen snijden met een glassnijder waterstraalsnijden graveren etsen decoreren brandschilderen [bewerken] Andere soorten glas Silicaten zijn zeker niet de enige materialen die een glasovergang ondergaan. We hoeven maar in de moderne huiskamer om ons heen te kijken. Veel van de kunststoffen die we daar aantreffen worden ook in de glasvorm toegepast. De kristallijne vorm is bij polymere kunststoffen zelfs eerder uitzondering dan regel. Het is zelfs mogelijk om metaalglazen te maken. Daartoe moet de smelt echter wel zeer snel afgekoeld worden, omdat glasvorming vooral gemakkelijk optreedt wanneer de smelt viskeus (stroperig) is en dat is bij metalen niet zo. De benodigde ultrasnelle afkoeling wordt bereikt door een dun straaltje gesmolten metaal op een trommel te schieten die snel ronddraait en van binnen uit sterk gekoeld wordt. Het zo gevormde materiaal heeft allerlei interessante eigenschappen maar kan slechts op kleine schaal en in dunne lagen vervaardigd worden Er wordt daarom naarstig gezocht naar legeringen waarvan de glasvorming wat minder moeizaam is en er zijn nu inderdaad een aantal materialen bekend waarvan ook in grotere massa metaalglazen te vervaardigen zijn. [1] [bewerken] Eigenschappen van glazen Een groot voordeel van glazen is dat het isotrope materialen zijn, die geen korrelgrenzen vertonen. De isotropie en de relatief gemakkelijke vormbaarheid van een glas maakt het mogelijk om 'glasheldere' doorzichtige voorwerpen te maken. Ook andere eigenschappen zoals sterkte en hardheid zijn vaak erg goed en bovendien te regelen door de samenstelling te veranderen. Daarnaast kan glas goed tegen bijtende stoffen. Een nadeel is dat glas erg breekbaar is. Voor polymere glazen is dat ook het geval, maar het is mogelijk om materialen te maken die zowel glasachtige delen en rubberachtige delen bevatten, waardoor men het beste van twee werelden kan verkrijgen, zowel de hardheid van het glas en de taaiheid van de rubber. Een goed voorbeeld daarvan is HIPS (High-Impact PolyStyreen). [bewerken] Vloeistof of vaste stof Er werd vroeger wel gezegd dat glas eigenlijk een vloeistof is die zeer langzaam stroomt. Dit zou te meten zijn door in oude ruiten de dikte van de onderkant te vergelijken met die van de bovenkant.[2] Dat verhaal, dat ook op scholen werd onderwezen, is echter onjuist. Volgens een berekening van Edgar Dutra Zanotto van de Universiteit van Sao Carlos in Brazilië in het American Journal of Physics zou zelfs glas met een lage viscositeit er 1032 jaar over zou doen om merkbaar te vervormen.[3] Aangezien 1032 jaar een extreem lange periode is, volgens elke schatting vele malen langer dan de ouderdom van het universum, kan men bij kamertemperatuur onmogelijk enige vloei van deze stof waarnemen. De dikteverschillen in oude ruiten zijn te verklaren uit fabricagemethoden die in het verleden werden gebruikt. Glasplaten werden gemaakt door het dikvloeibare glas rond te draaien. De buitenste rand werd daarbij dikker. Bij het plaatsen van de rechthoekig gesneden ruit, plaatste men de dikste kant aan de onderzijde, vanwege de stabiliteit. Er zijn wel stroperige vloeistoffen die eruitzien als een vaste stof, maar waarvan duidelijk is aangetoond dat het om een vloeistof gaat met een zeer hoge viscositeit, bijvoorbeeld pek of bitumen bij het pekdruppelexperiment. Daarbij gaat het om materialen waarvan het glaspunt veel dichter bij kamertemperatuur ligt (glasovergang). Volgens een andere benadering zou een glas een onderkoelde vloeistof zijn. Deze benadering gaat ervan uit dat een vloeistof bij afkoeling een vloeistof blijft, zolang het niet kristalliseert tot een kristallijne vaste stof. Aangezien glas niet uit kristallen is opgebouwd, zou het geen vaste stof zijn. Een praktischer definitie noemt een stof een vloeistof als het een homogene stof is die kan vloeien, of het nu kristallijn of amorf is. Ook een glas als dit is volgens die definitie duidelijk een vaste stof. In het algemeen is er duidelijk een temperatuur aan te wijzen waarbij een glas smelt en overgaat in een stroperige vloeistof en daarom worden in de wetenschap glazen in het algemeen onderscheiden van onderkoelde vloeistoffen. Ook volgens deze definitie is het antwoord op de vraag of een glas een vloeistof is dus negatief: een glas is iets anders dan een onderkoelde vloeistof. Een voorname bron van verwarring daarbij is dat het overgangspunt afhankelijk is van de frequentie van de temperatuurfluctuatie waarmee men het fenomeen bestudeert. Bij hogere frequentie is het punt wat hoger. Wanneer men een materiaal neemt waarvan het glaspunt vlak bij kamertemperatuur ligt is het dus goed mogelijk dat het breekt als een glazen vaste stof als men het snel op de grond gooit, maar vloeit als een vloeistof als men op een veel grotere tijdschaal bekijkt. Men spreekt van het tijd-temperatuur-superposit ieprincipe om aan te duiden dat de tijdschaal en de temperatuurschaal gedeeltelijk uitwisselbaar zijn. De verschuiving van de glastemperatuur (Tg) met de tijdschaal is echter niet groot en dat verklaart ook waarom ver beneden het glaspunt (zoals voor vensterglas bij kamertemperatuur) geen vloeistofgedrag meer te verwachten is. Voor veel polymeren ligt dat wat anders. Dat zijn vaak glazen met een glastemperatuur die slechts 100-200 °C beloopt in plaats van 700-1000 °C voor silicaten. Hoewel vloei ook voor deze materialen nauwelijks een rol speelt is er soms wel sprake van veroudering (aging) waarbij onder loop van jaren de mechanische eigenschappen van het polymeer geleidelijk veranderen. Dit is vooral een zaak waarmee men rekening moet houden als men de kunststof in een constructie wil toepassen. Ook deze veroudering is een gevolg van de nabijheid van het glaspunt. [bewerken] Zie ook Glasbeton Glasblazen Glasafval Glaskunst Brandraam [bewerken] Externe link (en) Glass: Liquid or Solid - Science vs. an Urban Legend